Rb. Den Haag 24 oktober 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:11206
Bij notariële akte van 6 juni 2011 heeft eiseres van haar ouders het bloot eigendom verkregen van een in Frankrijk gelegen woning, met voorbehoud van levenslang vruchtgebruik van haar ouders gezamenlijk of afzonderlijk. De vader van eiseres is in 2012 overleden. De moeder van eiseres is nog in leven. In geschil is of het door eiseres verkregen bloot eigendom van de woning deel uitmaakt van de rendementsgrondslag in box 3. Meer specifiek in geschil is of artikel 5.4, lid 3, onderdeel a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) van toepassing is. Eiseres stelt dat de akte van 6 juni 2011 een uiterste wilsbeschikking betreft. Eiseres stelt dat daarmee aan alle voorwaarden van artikel 5.4, lid 3, onderdeel a van de Wet IB 2001 is voldaan. Uit hetgeen door partijen naar voren is gebracht over de Franse rechtsfiguur die ten grondslag ligt aan de verkrijging maakt de rechtbank op dat naar Frans recht in dit geval ten titel van vervroegde erfdeling wordt verkregen. Vooruitlopend op een toekomstige erfenis wordt bij leven reeds verdeeld. Nu de verdeling bij leven is geschied, ligt aan de verkrijging naar het oordeel van de rechtbank een schenking ten grondslag en geen uiterste wilsbeschikking. Artikel 5.4, lid 3, onderdeel a van de Wet IB 2001 is niet van toepassing, de beroepen zijn ongegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl