Conclusie A-G Niessen 20 mei 2021, ECLI:NL:PHR:2021:584

A-G Niessen heeft conclusie genomen in een zaak over de vraag of een bezitting, na te zijn overgedragen als donation entre vifs à titre de partage anticipé, wel of niet behoort tot de rendementsgrondslag van de blooteigenaar op de grond dat een vruchtgebruik op de bezitting rust op grond van een uiterste wilsbeschikking dan wel buitenlands wettelijk erfrecht. De ouders van belanghebbende hebben de blote eigendom van een door hen bewoonde woning in Frankrijk overgedragen aan belanghebbende, onder voorbehoud van een levenslang vruchtgebruik voor beide ouders en voor de langstlevende ouder. De overdracht heeft plaatsgehad naar Frans recht, en wel als een donation entre vifs à titre de partage anticipé. Nadien is de vader van belanghebbende overleden. Voor het gerechtshof Den Haag was in geschil of de blote eigendom van de woning niet behoort tot de rendementsgrondslag van belanghebbende op de voet van artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 doordat een vruchtgebruik voor haar moeder op de woning rust op grond van een uiterste wilsbeschikking van wijlen haar vader dan wel buitenlands wettelijk erfrecht. Naar het oordeel van het Hof mist deze bepaling hier toepassing. Het Hof heeft vooropgesteld dat Nederlands burgerlijk recht een uiterste wilsbeschikking omschrijft als een eenzijdige rechtshandeling waarbij een erflater een beschikking maakt die eerst werkt na zijn overlijden en die in het wettelijke erfrecht is geregeld of als zodanig wordt aangemerkt. Vervolgens heeft het Hof onderzocht onder welke voorwaarden een rechtshandeling van de erflater wordt aangemerkt als diens wilsbeschikking naar Frans recht en is het nagegaan of de akte tot overdracht van (de blote eigendom van) de woning voldoet aan deze voorwaarden voor zover de akte ertoe strekt een vruchtgebruik voor de langstlevende ouder te vestigen. Het Hof komt tot de gevolgtrekking dat de akte in zoverre het karakter heeft van een notariële akte van schenking naar Frans recht. Daarom rust het vruchtgebruik van de moeder van belanghebbende op de woning niet op grond van een uiterste wilsbeschikking van wijlen haar vader en evenmin op grond van buitenlands wettelijk erfrecht, aldus het Hof. Tegen deze gevolgtrekking voert belanghebbende drie klachten aan. Ten eerste heeft het Hof artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 te beperkt uitgelegd door deze bepaling niet toe passen op een geval waarin een ‘erfrechtelijke context’ speelt maar een testament ontbreekt, zoals hier. Ten tweede heeft het Hof ten onrechte bepaalde kenmerken van een overdracht als donation entre vifs à titre de partage anticipé veronachtzaamd. Ten derde heeft het Hof het toepasselijke Franse recht onjuist uitgelegd. A-G Niessen stelt voor de uitleg van de term “uiterste wilsbeschikking” in artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001, voorop dat deze term, die voortkomt uit het Nederlandse burgerlijke recht, in beginsel moet worden uitgelegd naar wat dit recht daaronder verstaat. Dat is – kort gezegd – een eenzijdige rechtshandeling waarbij een erflater een beschikking maakt die eerst werkt na zijn overlijden. Dit ligt niet alleen naar spraakgebruik (een beschikking die de erflater maakt bij uiterste wil) voor de hand. Het vindt ook nog eens bevestiging in de onderdelen b en c van hetzelfde artikellid, die zo mogelijk nog explicieter aansluiten bij het burgerlijke recht. Ook de parlementaire geschiedenis pleit voor een met dit recht overeenkomende uitleg door te refereren aan een verdeling van de nalatenschap die plaatsvindt op grond van een “testament”, aan een vruchtgebruik dat is gevestigd bij “testament” of aan voorbeelden van testamentaire bepalingen, zoals een (keuze)legaat of een partiële verdeling van de nalatenschap. Doel en strekking van artikel 5.4, lid 3, Wet IB 2001 verzetten zich evenmin tegen zo’n uitleg. Deze bepaling strekt ertoe bij wijze van een afwijkende toerekening van bezittingen tegemoet te komen aan de positie waarin een wettelijk erfrechtelijke verdeling dan wel een daarmee vergelijkbare testamentaire verdeling de betrokkene heeft gebracht. Voor de uitleg van de term “buitenlands wettelijk erfrecht” leidt de A-G uit de relevante parlementaire geschiedenis af dat deze term slechts ziet op gevallen waarin een recht van vruchtgebruik direct uit de buitenlandse erfwet ontstaat, dus van rechtswege zonder een uiterste wilsbeschikking. Volgens de A-G ligt in de – in cassatie onbestreden – vaststellingen van het Hof besloten dat het vruchtgebruik voor de moeder van belanghebbende niet direct is ontstaan uit de Franse erfwet. Dan rust dit vruchtgebruik op de woning niet op grond van buitenlands wettelijk erfrecht. De resterende vraag is of het op de woning rust op grond van een uiterste wilsbeschikking. Voor het antwoord daarop heeft het Hof volgens de A-G terecht beslissend geacht of de kenmerken die de overdrachtsakte heeft naar Frans recht overeenstemmen met wat het Nederlands burgerlijk recht verstaat onder een uiterste wilsbeschikking. Voor zover belanghebbende klaagt dat het Hof aldus artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 te beperkt heeft uitgelegd, meent de A-G dat de klacht faalt. Voor zover zij klaagt dat het Hof bepaalde kenmerken van een overdracht als donation entre vifs à titre de partage anticipé heeft veronachtzaamd, meent de A-G dat de klacht eveneens faalt. Volgens de A G is het oordeel van het Hof dat de overdrachtsakte de kenmerken van een notariële akte van schenking naar Frans recht heeft, naar behoren gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Tot slot meent de A-G dat in cassatie niet met succes kan worden aangevoerd, zoals de laatste klacht doet, dat het Hof het toepasselijke Franse recht onjuist heeft uitgelegd. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie ongegrond wordt verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken