Hof Den Haag 30 september 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1878
Op grond van een Franse notariële akte heeft belanghebbende in 2011 van haar ouders de blote eigendom verkregen van de door hen bewoonde woning gelegen in Frankrijk, onder voorbehoud van het levenslange vruchtgebruik voor beide ouders dan wel voor de langstlevende ouder. In de onderhavige jaren 2013 tot en met 2016 was één van beide ouders nog in leven. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de uitzondering van artikel 5.4, derde lid, Wet IB 2001 van toepassing is. Op grond van deze bepaling behoren niet tot de heffingsgrondslag van box 3 goederen waarop een vruchtgebruik rust ten behoeve van de echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige op grond van een uiterste wilsbeschikking van die ouder, dan wel op grond van buitenlands wettelijk erfrecht. Voor de uitleg van het begrip "uiterste wilsbeschikking" acht het Hof in dit geval mede het toepasselijke Franse recht van belang. Het Hof oordeelt dat de akte het karakter heeft van een notariële akte van schenking, en niet van een uiterste wilsbeschikking. Het vruchtgebruik is dus niet gevestigd op grond van een uiterste wilsbeschikking. Daarnaast is geen sprake van een verkrijging krachtens Frans erfrecht. De uitzondering van artikel 5.4, derde lid, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 is daarom niet van toepassing, zodat de Inspecteur de waarde van de blote eigendom van de Franse woning terecht tot de rendementsgrondslag van belanghebbende heeft gerekend. Het Hof verwerpt bovendien belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
De uitspraak op rechtspraak.nl