Rb. Den Haag 25 augustus 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:10944

Intrekking verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in verband met het plegen van (meerdere) strafbare feiten. Tussen partijen is niet in geschil dat de Gezinsherenigingsrichtlijn in dit geval van toepassing is, in zoverre dat artikel 3.86 Vb in ieder geval richtlijnconform dient te worden uitgelegd. De rechtbank volgt niet verweerders standpunt dat in het onderhavige geval niet conform het arrest Z.Zh en I.O. getoetst had moeten worden of sprake is van persoonlijk gedrag dat een actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Uit het bestreden besluit blijkt echter dat verweerder, ondanks zijn standpunt dat voornoemd arrest niet van toepassing is, niettemin materieel wel de aspecten die een rol spelen bij de toetsing aan het openbare orde criterium heeft betrokken en beoordeeld. De rechtbank concludeert dat verweerder in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat eisers persoonlijke gedrag een actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, zoals bedoeld in het arrest Z.Zh en I.O.. Voorts is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 8 EVRM. Verweerder heeft in het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op het uitvaardigen van het inreisverbod, voorts ten onrechte niet gemotiveerd waarom naar zijn oordeel in dit geval sprake is van een gevaar voor de openbare orde in de zin van het arrest Z. Zj en I.O. Het beroep voor zover gericht tegen het inreisverbod is gegrond. De rechtsgevolgen blijven echter in stand omdat verweerder materieel gezien wel getoetst heeft aan de relevante aspecten genoemd in het arrest Z.Zh. en I.O..

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken