Rb. Den Haag 23 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:3901

Mensenhandel. Criminele organisatie. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het - in georganiseerd verband - uitbuiten van meerdere jonge vrouwen in de prostitutie. Verwerping preliminair verweer ten aanzien van schending specialiteitsbeginsel in het kader van overlevering. Geen sprake van een “ander feit” in de zin van het kaderbesluit. Van schending van het specialiteitsbeginsel is dan ook geen sprake. Verwerping verweer ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding voor zover deze ziet op de criminele organisatie. De dagvaarding is voldoende duidelijk en is dan ook geldig. Juridisch kader mensenhandel. Naar het oordeel van de rechtbank is voor artikel 273f, eerste lid, sub 9 van het Wetboek van Strafrecht niet vereist dat daadwerkelijk van bevoordeling sprake is geweest. De tekst van sub 9 biedt ruimte voor die opvatting. Bovendien komt een dergelijke uitleg tegemoet aan de strekking van de strafbaarstelling van mensenhandel, te weten het belang van behoud van iemands geestelijke en lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. Immers, door met een dwangmiddel iemand ertoe te bewegen hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde is daarmee diens geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid reeds geschonden en naar het oordeel van de rechtbank is daarmee het delict voltooid. Overwegingen ten aanzien van de betrouwbaarheid van verklaringen van getuigen. Gebleken is dat tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, de beperkingen die aan de verdachte waren opgelegd ten onrechte op andere wijze (aanmerkelijk verzwarend) zijn toegepast door de lokale, Hongaarse autoriteiten. Gelet hierop, en de lange duur van deze verzwaarde beperkingen, zal de rechtbank de duur van de op te leggen straf beperken met twee maanden. Korting van 10 % op de op te leggen straf vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 41 maanden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 09/767048-13
Datum uitspraak: 23 maart 2018
Tegenspraak
(Promisvonnis)
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officieren van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1971 te [plaats] ( [geboorteplaats] ),
verblijfadres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 24 juni 2015, 26 augustus 2015, 18 november 2015, 5 februari 2016, 19 april 2016 (telkens pro forma), 1, 2, 12, 13, 14 en 19 februari 2018 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie, mr. S.M. van der Kallen en mr. E. Visser (hierna: de officier van justitie), en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. J.L. Baar, naar voren is gebracht.

De officieren van justitie hebben ter terechtzitting van 13 februari 2018 medegedeeld dat zij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aanhangig te maken.

2 De tenlastelegging.

Aan de verdachte is - kort gezegd en na toegewezen vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 19 april 2016 en 12 februari 2018 - ten laste gelegd dat hij zich, al dan niet samen met een ander of anderen, in Nederland en/of in Hongarije schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van acht vrouwen:

[slachtoffer 1] in de periode van 1 juni 2010 tot en met 31 mei 2012 (feit 1);
[slachtoffer 2] in de periode van 1 november 2010 tot en met 23 december 2010 en in de periode van 1 maart 2011 tot en met 1 oktober 2012 (feit 2);
[slachtoffer 3] in de periode van 1 november 2011 tot en met 26 februari 2012 (feit 3);
[slachtoffer 4] in de periode van 1 december 2011 tot en met 9 januari 2012 (feit 4);
[slachtoffer 5] in de periode van 31 december 2011 tot en met 9 januari 2012 (feit 5);
[slachtoffer 6] in de periode van 1 december 2011 tot en met 30 januari 2012 (feit 6);
[slachtoffer 7] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 januari 2013 (feit 7);
[slachtoffer 8] in periode van 1 december 2012 tot en met 1 maart 2013 (feit 8).

Voorts wordt de verdachte ervan verdacht dat hij in de periode van 1 juli 2011 tot en met 13 maart 2014 in Nederland en/of Oostenrijk en/of Duitsland en/of België en/of Hongarije, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 9).

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen als bijlage I bij dit vonnis en maakt daarvan deel uit. De reeds toegewezen wijzigingen in de tenlastelegging zijn daarin cursief weergegeven.

3 Geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft bepleit dat de dagvaarding nietig is ten aanzien van feit 9 (criminele organisatie), nu de dagvaarding ten aanzien van dat feit niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) voldoet. In de dagvaarding zijn niet de vermeende deelnemers aan de organisatie opgenomen en ook enige feitelijke omschrijving van de door de organisatie gepleegde misdrijven ontbreekt, aldus de verdediging.

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat dit verweer niet opgaat, nu de tenlastelegging voldoende feitelijk is en het voor iedere procesdeelnemer voldoende duidelijk was waarvan verdachte werd beschuldigd. Hierbij moet de tenlastelegging als geheel worden beschouwd en in samenhang met de inhoud van het dossier worden gelezen. Ook uit de behandeling ter terechtzitting en door hetgeen door de verdediging overigens naar voren is gebracht is gebleken dat het verwijt duidelijk was, aldus de officieren.

De rechtbank stelt voorop dat een van de fundamenten van het strafprocesrecht is dat de terechtzitting plaatsvindt op basis van de dagvaarding. Dit draagt er zorg voor dat alle partijen (de verdachte, het openbaar ministerie en de rechter) op de hoogte zijn van de gronden waarop de vervolging berust. De tenlastelegging heeft twee functies. In de eerste plaats wordt de verdachte geïnformeerd waarvan hij wordt verdacht en waarvoor hij terecht moet staan, zodat hij weet waartegen hij zich moet verdedigen. Dit betekent dat in de tenlastelegging een opgave van het feit wordt opgenomen gespecificeerd naar tijd en plaats. In de tweede plaats beperkt de tenlastelegging de onderzoeks- en beslissingstaak van de rechter tot het voorval zoals dat is tenlastegelegd.

Tenlastegelegd is deelneming aan een criminele organisatie, hetgeen betekent dat de verdenking luidt dat verdachte behoort tot een organisatie en dat hij een aandeel heeft gehad in dan wel gedragingen heeft ondersteund die strekken tot of rechtsreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, te weten: het plegen van misdrijven. In algemene zin is niet vereist dat een persoon bekend moet zijn geweest, laat staan dat hij moet hebben samengewerkt, met alle personen die deel uitmaken van de organisatie. Het concretiseren van de verdenking door het expliciet benoemen van overige deelnemers is dan ook geen vereiste. Bovendien is in de tenlastelegging het oogmerk van plegen van misdrijven in zoverre geconcretiseerd dat het openbaar ministerie daarin de concrete misdrijven heeft opgenomen waarop zij kennelijk het vizier had gericht. Nu het volledige dossier van het onderzoek Apus A onder andere bestaat uit een 21-tal zaaksdossiers aangaande de verdenking van mensenhandel, een zaaksdossier aangaande de verdenking van witwassen en ook een omvangrijk zaaksdossier criminele organisatie en uit de verdachtendossiers van de in feit 9 genoemde deelnemers, kan het niet anders zijn dan dat het ook aan de zijde van de verdediging duidelijk moet zijn geweest waartegen verdachte zich in dit verband moest verdedigen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding voldoende duidelijk is. De rechtbank verwerpt het verweer. De dagvaarding is geldig.

4 Ontvankelijkheid van de officieren van justitie

De raadsman heeft de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit ten aanzien van de feiten 4 ( [slachtoffer 4] ) en 6 ( [slachtoffer 6] ). Verder dient het openbaar ministerie deels niet-ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien van een deel van de ten laste gelegde periode in de feiten 1 ( [slachtoffer 1] ) en 3 ( [slachtoffer 3] ). De raadsman wijst erop dat [verdachte] is aangehouden op grond van een Europees arrestatiebevel (hierna EAB), en vervolgens is overgeleverd. Uit de Overleveringswet (OLW) en het Kaderbesluit volgt dat een persoon niet vervolgd kan worden voor andere feiten dan waarvoor hij is overgeleverd (specialiteitsbeginsel). Nu de zaaksdossiers [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] niet omschreven zijn inzake de overlevering, en bij de zaaksdossiers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] een kortere periode is omschreven, moet het ervoor gehouden worden dat [verdachte] niet voor die feiten en perioden is overgeleverd.

De officier van justitie heeft zich, ter zitting van 24 juni 2015, op het standpunt gesteld dat de feiten in het kader waarvan de overlevering wordt gevraagd niet specifiek behoeven te worden vermeld. Volstaan kan worden met algemeenheden. De in het EAB aangeleverde informatie over de verschillende zaaksdossiers dient als extra informatie te worden gezien. Er is geen sprake van toepasselijkheid van het specialiteitsbeginsel.

De rechtbank heeft ter zitting van 24 juni 2015 en 26 augustus 2015 te kennen gegeven dat het niet-ontvankelijkheidsverweer (nog steeds) ontijdig wordt geacht en dat bij einduitspraak nader op dit verweer zal worden ingegaan.

De rechtbank overweegt thans als volgt:

Gelet op artikel 2, tweede lid, OLW dient het EAB te bevatten: “een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit”. De gegevens met betrekking tot het feit moeten worden opgenomen in rubriek e van het EAB. In bijlage 1 bij de OLW is een lijst van strafbare feiten, zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 1, van de OLW opgenomen. Hierin staan, onder meer, vermeld: “deelneming aan een criminele organisatie’ en ‘mensenhandel’.

In artikel 27, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, wordt de specialiteitsregel geformuleerd. Volgens deze regel kan een overgeleverde persoon niet worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest. Het overleveringsverzoek is gebaseerd op de informatie die de stand van het onderzoek op het tijdstip van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel weergeeft. Het is dus mogelijk dat in de loop van de procedure de vastgestelde feiten niet in alle opzichten meer overeenkomen met die welke aanvankelijk waren omschreven. De verzamelde gegevens kunnen leiden tot een precisering en zelfs een wijziging van de bestanddelen van het strafbare feit die de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel aanvankelijk hebben gerechtvaardigd.

De in artikel 27, lid 2, gebruikte termen ‘vervolgd’, ‘berecht’ of ‘van zijn vrijheid beroofd’ wijzen erop dat het begrip ‘enig ander feit’ dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de verschillende stadia van de procedure en rekening houdend met iedere procedurele handeling die de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit kan wijzigen. Om - met betrekking tot het in artikel 27, lid 3, sub g, van het kaderbesluit bedoelde vereiste van toestemming - uit te maken of een procedurele handeling leidt tot een “ander feit” dan dat welk in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld, moet de omschrijving van het strafbare feit in het Europees aanhoudingsbevel worden vergeleken met de omschrijving in de latere procedurele handeling. Vereisen dat de uitvoerende lidstaat voor iedere wijziging in de omschrijving van de feiten toestemming verleent, zou verder gaan dan de specialiteitsregel verlangt en afdoen aan het doel, de in het kaderbesluit voorziene justitiële samenwerking tussen de lidstaten te vergemakkelijken en te bespoedigen.

Om uit te maken of het aan de orde zijnde strafbare feit geen “ander feit” is dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest in de zin van artikel 27, lid 2, van kaderbesluit 2002/584, waarvoor de toestemmingsprocedure van artikel 27, leden 3, sub g, en 4, van het kaderbesluit moet worden gevolgd, dient te worden nagegaan of de bestanddelen van het strafbare feit, volgens de wettelijke omschrijving die in de uitvaardigende lidstaat daarvan is gegeven, die zijn waarvoor de persoon is overgeleverd en of er voldoende overeenstemming is tussen de gegevens in het aanhoudingsbevel en de gegevens in de latere procedurele handeling. Wijzigingen in de omstandigheden ‘tijd’ en ‘plaats’ zijn toegestaan, mits zij volgen uit de elementen die zijn verzameld tijdens de procedure die in de uitvaardigende lidstaat is gevolgd met betrekking tot de in het aanhoudingsbevel omschreven gedragingen, mits zij de aard van het strafbare feit niet wijzigen en indien zij niet leiden tot gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging in de zin van de artikelen 3 en 4 van het kaderbesluit.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat in het geval van de verdachte geen sprake is van een “ander feit” in de zin van het kaderbesluit. Van schending van het specialiteitsbeginsel is dan ook geen sprake. De rechtbank verwerpt het verweer.

5 Bewijsoverwegingen

5.1 Inleiding
Naar aanleiding van restinformatie uit het onderzoek ‘Buidelwolf’, waaruit de verdenking was ontstaan dat meerdere personen uit een Hongaarse familie zich zeer waarschijnlijk bezighielden met (georganiseerde) mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Sr, is in januari 2013 het onderzoek ‘Apus’ gestart.
Het Apus-onderzoek ziet in totaal op 21 aangeefsters c.q. (door het openbaar ministerie veronderstelde) slachtoffers. Uit dit onderzoek is de verdenking gerezen dat de verdachte zich ten aanzien van verschillende van deze vrouwen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mensenhandel. Ten slotte bestaat jegens de verdachte de verdenking dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van mensenhandel en witwassen.

5.2 Het standpunt van de officieren van justitie.
De officieren van justitie hebben, zoals verwoord in het schriftelijk requisitoir, gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende feiten:
medeplegen feit 1 in de periode 1 april tot 1 juni 2012 ( [slachtoffer 1] );
medeplegen feit 2 ( [slachtoffer 2] );
medeplegen feit 5, sub 1, 3 en 4 ( [slachtoffer 5] );
medeplegen feit 6 ( [slachtoffer 6] );
feit 7, sub 1 ( [slachtoffer 7] );
medeplegen feit 8, sub 1, 3 en 4 ( [slachtoffer 8] );
feit 9, ten aanzien van mensenhandel en witwassen (Criminele organisatie).
Ten aanzien van de volgende feiten hebben de officieren van justitie tot (partiële) vrijspraak gerekwireerd:
feit 3 ( [slachtoffer 3] );
feit 4 ( [slachtoffer 4] );
feit 5, sub 6 en 9 ( [slachtoffer 5] );
feit 7, sub 3 en 4 alsmede medeplegen ( [slachtoffer 7] );
feit 8, sub 6 en 9 ( [slachtoffer 8] )
feit 9, ten aanzien van mishandeling en bedreiging (Criminele organisatie).
Bij de beoordeling van de verschillende onderdelen van de tenlastelegging zal de rechtbank, voor zover relevant, weergeven wat de officieren van justitie ter onderbouwing hebben aangevoerd.

5.3 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, zoals verwoord in een uitgebreide pleitnota, uitvoerig verweer gevoerd ten aanzien van (vrijwel) alle onderdelen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Waar nodig zal de rechtbank op de gevoerde verweren responderen.

5.4 Juridisch kader
Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f Sr. Dit wetsartikel staat in titel XVIII van voornoemd wetboek, de titel die ziet op de ‘misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’. De strafbaarstelling is gericht op het tegengaan van uitbuiting van mensen. Uitbuiting moet daarbij niet beperkt worden uitgelegd. Het belang van het individu staat voorop; dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. Artikel 273f Sr beoogt bescherming te bieden tegen de aantasting van die integriteit en vrijheid. Bij mensenhandel moet altijd uitgegaan worden van de intentie van de dader, niet van die van het slachtoffer.
In het onderzoek Apus is een tiental verdachten naar voren gekomen die allen verdacht worden van mensenhandel binnen de prostitutiebranche, ieder ten aanzien van ten minste een paar dames. Het gaat daarbij steevast om de verdenking van diverse varianten van mensenhandel zoals deze zijn opgenomen in de onderscheidenlijke onderdelen van het eerste lid van artikel 273f Sr. De rechtbank zal hierna eerst kort stilstaan bij het juridisch kader van mensenhandel tegen welke achtergrond zij iedere verdenking heeft bezien. De rechtbank zal daarbij de diverse varianten - voor zover relevant - en de uitgangspunten die de rechtbank daarbij hanteert uiteenzetten en dit stuk afsluiten met enkele algemene overwegingen.
Sub 1
In sub 1 zijn diverse handelingen strafbaar gesteld voor zover deze worden gefaciliteerd door een dwangmiddel en met het oogmerk van uitbuiting worden verricht.
Handelingen
De handelingen (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen) hebben elk een neutrale en feitelijk betekenis en kunnen worden begrepen aan de hand van dagelijks taalgebruik. Zij dienen ruim te worden uitgelegd.
Dwangmiddelen
De dwangmiddelen - voor zover deze voor de officieren van justitie en/of de verdediging een punt van aandacht zijn geweest tijdens de behandeling ter terechtzitting - zijn dwang, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie. De inzet van een dwangmiddel dient ertoe te leiden dat iemand in een uitbuitingssituatie (‘een situatie die de gelegenheid tot uitbuiting schiep’) belandt of dat iemand wordt belet zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken.
Het begrip ‘dwang’ moet ruim worden uitgelegd en worden bekeken in de hele context waarin de handelingen van de verdachte plaatsvinden. Het slachtoffer zal door aanwending van dwang tegen zijn zin in een situatie van uitbuiting zijn gebracht, waarin hij, als hij daartoe weerstand had kunnen bieden, niet terecht zou zijn gekomen. Het slachtoffer moet het dwangmiddel dus hebben opgemerkt en het moet bij hem vrees hebben opgeleverd, anders is er geen sprake van dwang. Daarbij doet het niet ter zake dat de dwang op een ander in het algemeen geen indruk zou maken. Het is subjectief.
Het dwangmiddel ‘misleiding’ heeft op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad feitelijke betekenis. De rechtbank gaat er bij dit dwangmiddel vanuit dat er doelbewust een foute voorstelling van zaken wordt gegeven, iemand wordt overtuigd van iets dat niet waar is, waardoor iemand iets gaat doen dat hij anders niet zou hebben gedaan. Ook dit dwangmiddel is subjectief.
‘Misbruikdwangmiddelen’
Ook de dwangmiddelen ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’ hebben feitelijke betekenis. Deze dwangmiddelen, die objectief moeten worden vastgesteld, kunnen elkaar deels overlappen. Deze misbruikdwangmiddelen kunnen veelal uit de omstandigheden worden afgeleid. De verdachte moet zich wel bewust zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeide of verondersteld wordt voort te hebben gevloeid, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer.De Hoge Raad heeft daarbij expliciet overwogen dat niet is vereist dat doelbewust misbruik is gemaakt van de kwetsbare positie van het slachtoffer.
Ook behoeft voor het bewijs van het misbruik geen verdergaand initiatief en actief handelen van de verdachte te worden vereist dan tot uitdrukking komt in de termen die in de wet staan (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen). De Hoge Raad overweegt daarbij dat het in het bijzonder niet een zelfstandig vereiste is dat het initiatief van de verdachte is uitgegaan en ook niet dat het slachtoffer door de verdachte in een uitbuitingssituatie is gebracht. Tot slot merkt de Hoge Raad op dat de omstandigheid dat een slachtoffer tevoren al op een of meer andere plaatsen in de prostitutie had gewerkt, geen aanwijzing behoeft te zijn voor vrijwilligheid en het ontbreken van een uitbuitingssituatie.
Indien tot een bewezenverklaring wordt gekomen van een van deze twee misbruikdwangmiddelen dient het feitelijk bewezenverklaarde hieraan invulling te geven. Bij het misbruik maken van (1) een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht is er sprake van een relationele ongelijkheid of van het brengen in een dergelijke situatie van ongelijkheid, waardoor de keuzevrijheid van het slachtoffer is beperkt. Daarbij merkt de rechtbank op dat ‘beperkt’ niet inhoudt dat er sprake moet zijn van een zodanige dwang of druk dat voor het slachtoffer geen andere keuze meer mogelijk was; de beperking van de keuzevrijheid van het slachtoffer is voldoende om een gedwongen karakter van prostitutie aan te nemen. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat de wetgever bij prostituees stelt dat hiervan sprake is als zij verkeren of komen te verkeren in een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Het criterium ‘de gemiddelde mondige prostituee in Nederland’ omvat in ieder geval dat zij zelf bepaalt waar, wanneer, met wie, onder welke omstandigheden en tegen welke opbrengsten zij werkt. Ten aanzien van het misbruik maken van (2) een anders ‘kwetsbare positie’ geeft artikel 273f, zesde lid, Sr een minimumdefinitie van dit begrip: hieronder wordt mede begrepen een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan. Aangenomen kan worden dat de ‘misbruiker’ de ander (het latere slachtoffer) in die positie aantreft zonder dat beiden in een relatie tot elkaar staan. Maar zoals gezegd dit middel kan ook overlappen met het misbruik uit overwicht.
Oogmerk van uitbuiting
Zoals gezegd zijn de handelingen omschreven in sub 1 slechts strafbaar als deze zijn gefaciliteerd door een dwangmiddel én als zij zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van personen. Het oogmerk veronderstelt een noodzakelijkheidsbewustzijn. Voorwaardelijk opzet volstaat niet. Ook dit bestanddeel van het wetsartikel heeft feitelijke betekenis en hoeft in de tenlastelegging niet nader te worden omschreven. Het oogmerk van uitbuiting kan worden afgeleid uit bijvoorbeeld verklaringen. Echter, bij afwezigheid van verklaringen kan het oogmerk van uitbuiting ook veelal worden afgeleid uit de omstandigheden. Het tweede lid van artikel 273 f Sr geeft een niet-limitatieve opsomming van wat de term ‘uitbuiting’ omvat. Voor zover in deze zaak relevant staat daar in ieder geval de uitbuiting van een ander in de prostitutie.
Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een oogmerk van uitbuiting zijn er meerdere invalshoeken die - gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad - moeten worden beschouwd en is in ieder geval sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Factoren die een rol kunnen spelen bij de beantwoording van die vraag zijn: de aard en duur van de werkzaamheden; de beperkingen die de tewerkstelling meebrengt voor degene die het werk verricht; het economisch voordeel (het profijt) dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald.
De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat deze factoren niet cumulatief zijn. Immers: de strafbaarstelling van sub 1 ziet - hoewel bewezenverklaring tot een voltooid delict leidt - in feite op het voorbereidingsdelict voorafgaand aan de daadwerkelijke uitbuiting; sommige elementen kun je dan nog niet zien en gebruiken om uitbuiting in de zin van sub 1 vast te stellen. Er kan dan wel worden gekeken naar bijvoorbeeld de modus operandi, huisvesting en afspraken. De rechtbank zal bij de beoordeling van de factoren ook rekening houden met het gegeven of een slachtoffer meer- of minderjarig is.
Tot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van het oogmerk tot uitbuiting dat voor de vervulling van de delictsomschrijving het niet nodig is dat de ander daadwerkelijk wordt uitgebuit; het oogmerk volstaat. Dat een betrokkene na overbrenging naar Nederland niet het beoogde werk heeft verricht, staat aan de invulling van de delictsomschrijving niet in de weg.
Uitgangspunt voor de rechtbank is in ieder geval dat zodra er sprake is van een dwangmiddel, de eventuele vrijwilligheid van het slachtoffer niet meer ter zake doet. Ook het gegeven dat een slachtoffer op enig moment toch ‘vrij’ was om te stoppen met het prostitutiewerk en zich mitsdien aan de uitbuitingssituatie heeft onttrokken, doet in zijn algemeenheid niet af aan het gegeven dat er (voordien) wel sprake is (geweest) van een dwangmiddel. Immers, aan het ‘laten gaan’ van een prostituee kunnen meerdere redenen ten grondslag liggen, waaronder ook opportunistische redenen, bezien vanuit het oogpunt van de dader. Zo kan ook niet in zijn algemeenheid worden gezegd dat indien er een mogelijkheid was voor het slachtoffer zich aan de uitbuitingsituatie te onttrekken, maar zij dit desalniettemin niet heeft gedaan, er dan dus geen sprake kan zijn van een uitbuitingssituatie.
Sub 2
Sub 2 is het equivalent van sub 1, maar dan voor gevallen waarbij het slachtoffer minderjarig is (‘terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt’). Het verschil zit hem in het feit dat voor strafbaarheid ten aanzien van minderjarige slachtoffers de in sub 1 genoemde dwangmiddelen niet zijn vereist. Dit onderdeel strekt ter bescherming van minderjarigen. Bij hen wordt ervan uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. Een eventuele instemming van de minderjarige is dan ook irrelevant. Verder is de leeftijd van het slachtoffer geobjectiveerd. Er bestaat een verplichting om gedegen onderzoek te doen naar de leeftijd.
Sub 3
In sub 3 zijn de handelingen ‘aanwerven, medenemen en ontvoeren’ van een ander strafbaar gesteld, indien dit geschiedt met het oogmerk die ander in een ander land (kortom, er is grensoverschrijding nodig) ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. Gelet op de wettekst zijn anders dan bij sub 1 en sub 4 geen dwangmiddelen nodig. Wel dient uitbuiting als bestanddeel te worden ingelezen. De Hoge Raad heeft namelijk uitgemaakt dat de gedragingen genoemd in sub 3, alleen strafbaar zijn, als zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.
Sub 4
Sub 4 ziet op de daadwerkelijk uitbuiting. De uitbuitingsgedragingen – voor zover in deze zaak relevant - hebben het oog op het doen werken in de prostitutie. Het gaat er hierbij om een ander met een dwangmiddel (dezelfde als genoemd in sub 1) te dwingen of te bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerk of onder de in sub 1 genoemde omstandigheden enige handeling te ondernemen waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor daartoe beschikbaar stelt. Gedoeld wordt op degene die gebruik maken van de uitbuitingssituatie van een ander, welke uitbuitingssituatie zij overigens niet zelf hoeven te hebben gecreëerd. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat, hoewel ‘uitbuiting’ als zodanig niet in de tekst van subonderdeel 4 is opgenomen, dit daarin wel moet worden ingelezen en daarmee een impliciet bestanddeel daarvan vormt. De gedragingen, bedoeld in sub 4, kunnen slechts als mensenhandel worden bestraft, indien uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Het onderscheid met betrekking tot de dwangmiddelen in sub 1 en sub 4 zit in het gegeven dat in sub 1 het dwangmiddel ziet op de handeling werven, vervoeren, etc. terwijl in sub 4 het dwangmiddel direct is gelinkt aan het laten werken. Het ‘zich beschikbaar stellen’ is daarbij voldoende, wat betekent dat er ook hier niet daadwerkelijk gewerkt hoeft te zijn om tot een voltooid delict te komen.
Sub 5
Voor zover in deze zaak relevant, ziet sub 5 op de strafbaarstelling van degene die een minderjarige ertoe beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, dan wel ten aanzien van een minderjarige enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die minderjarige zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van die handelingen. Net als in sub 2 zijn ook hier dwangmiddelen niet vereist, is de eventuele instemming van de minderjarige irrelevant en is de leeftijd van het slachtoffer geobjectiveerd. In de jurisprudentie van de Hoge Raad is uitgemaakt dat het slechts verrichten van faciliterende activiteiten voldoende is.
Sub 6
Strafbaar op grond van sub 6 is degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander. Opzet is als bestanddeel opgenomen, omdat anders onachtzaam handelen onder deze bepaling zou vallen. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat het opzet gericht dient te zijn op zowel het voordeel trekken als de uitbuiting van een ander. De profijttrekker kan, maar hoeft niet, een ander te zijn dan degene die de uitbuitingssituatie heeft gecreëerd. Een dwangmiddel is hier niet nodig.
Sub 8
Dit onderdeel betreft de strafbaarstelling van het opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een minderjarige met of voor een derde tegen betaling. Onder bevoordelen kan ook worden verstaan het begunstigen ten nadele van een ander. De opzet dient gericht te zijn op het voordeel trekken en niet op de minderjarigheid. Net als in sub 6 geldt ook hier dat de profijttrekker niet dezelfde hoeft te zijn als degene die een minderjarige ertoe beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling.
Sub 9
Op grond van sub 9 is degene strafbaar die een ander met een van de onder sub 1 genoemde dwangmiddelen dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde. Dit subonderdeel is erop gericht op te kunnen treden tegen de situatie dat een prostituee wordt gedwongen tot afgifte van (een deel van) haar opbrengsten van seksuele handelingen. Uitbuiting is hierbij geen vereiste. Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin vereist dat daadwerkelijk van bevoordeling sprake is geweest. De tekst van artikel 273f, eerste lid, sub 9 Sr biedt ruimte voor die opvatting. Bovendien komt een dergelijke uitleg tegemoet aan de strekking van de strafbaarstelling van mensenhandel, te weten het belang van behoud van iemands geestelijke en lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. Immers, door met een dwangmiddel iemand ertoe te bewegen hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde is daarmee diens geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid reeds geschonden en naar het oordeel van de rechtbank is daarmee het delict voltooid.
Nadere overwegingen
Prostitutie is in Nederland een zelfstandig en legaal beroep. Een prostituee kan dit werk doen in loondienst waarbij er duidelijke afspraken worden gemaakt tussen een prostituee en haar werkgever over onder meer het werk en salaris. Deze afspraken worden dan neergelegd in een arbeidsovereenkomst. Een dergelijke arbeidsovereenkomst zal meebrengen dat de prostituee haar verdiende geld niet bij zich houdt (maar loon ontvangt) en dat de werkgever voorwaarden kan stellen aan de manier waarop zij werkt (tijd, plaats, werkkleding), maar anderzijds komt op hem de (zorg)verplichting te rusten om te zorgen voor veilige en gezonde werkomstandigheden voor zijn werknemer. Ook zal een dergelijke arbeidsovereenkomst meebrengen dat de werkgever de vergunning regelt en zorg draagt voor de inhouding van loonbelasting en de afdracht daarvan aan de belastingdienst. Daarnaast is de werkgever ook verantwoordelijk voor het doen van aangiftes omzetbelasting en de voldoening daarvan. De prostituee zal zelf aangifte inkomstenbelasting moeten doen.
De prostituee die als een zelfstandige zonder personeel (ZZP-er) aan de slag gaat kan haar verdiende geld normaal gesproken bij zich houden en geniet meer vrijheden. Zij moet wel meer dingen zelf regelen, zoals een vergunning aanvragen, zich inschrijven bij de Kamer van Koophandel, een administratie voeren en bewaren en alle belastingzaken (inkomstenbelasting, omzetbelasting).
Zo bieden beide vormen op hun eigen manier een goede basis om op een voldoende rendabele wijze als prostituee te werken.
Tegen die achtergrond is het niet eenvoudig te begrijpen waarom een prostituee een deel van haar verdiensten zonder meer aan een ander zou afstaan. Op het moment dat een ander (dan de hiervoor bedoelde werkgever) geld krijgt van een prostituee opdat zij haar werkzaamheden hier kan verrichten, of omdat zij een deel van haar verdiensten überhaupt moet afstaan, heeft deze ander feitelijk wat uit te leggen. De rechtbank heeft geconstateerd dat geen van de verdachten zich ten aanzien van de vrouwen in het Apus-dossier als werkgever in voormelde zin heeft gedragen. Dit uitgangspunt is een vertrekpunt van waaruit de rechtbank de zaak heeft bekeken.
Voorts staat de rechtbank op voorhand stil bij de vorm van prostitutie die in voorliggende zaak aan de orde is en betrekt daarbij de afkomst van de dames. Alle dames zijn afkomstig uit Hongarije en op een enkeling na waren zij niet eerder in Nederland, laat staan om hier als prostituee te werken. Alle dames (met uitzondering van een minderjarige die er vanwege haar leeftijd niet kon werken) zijn tewerkgesteld - of het is geprobeerd hen te werk te stellen - in de [plaats] . In de [plaats] in Den Haag vindt raamprostitutie plaats. Deze vorm van prostitutie komt niet in veel landen voor en in ieder geval niet in Hongarije. Het is een zeer indringende manier van prostitutie, waarbij de prostituee zichzelf gedurende een lange aaneengesloten periode (uit het dossier blijkt dat de vrouwen in de regel van ’s ochtends vroeg tot in de nacht werkten) letterlijk tentoon stelt in een etalage. Voor het raam hangen gordijnen, maar deze worden slechts gesloten als de prostituee een klant heeft. De overige tijd is zij continu zichtbaar voor het publiek, dat kan bestaan uit potentiële klanten, maar evengoed uit mensen die slechts ‘een kijkje’ komen nemen. Sommige dames waren er vooraf überhaupt niet op bedacht dat zij onder dergelijke omstandigheden moesten werken. De rechtbank neemt mee dat het werken als prostituee onder die omstandigheden extra belastend is. Immers, ook in de tijd dat een prostituee niet door een klant wordt bezocht, is het werk belastend omdat zij voortdurend in een cabine te kijk staat.

5.5 Betrouwbaarheid verklaringen
Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van verklaringen van getuigen komt in de eerste plaats belang toe aan de consistentie, nauwkeurigheid of gedetailleerdheid, en volledigheid van die verklaringen. Echter, waar de verklaringen in de onderhavige zaak op deze punten onvolkomenheden bevatten - daarvan zitten verschillende voorbeelden in het dossier - betekent dat niet automatisch dat deze reeds daarom onbetrouwbaar zouden zijn. Dat heeft te maken met de bijzondere aspecten van deze zaak.
Het Apus-onderzoek is een langdurig en omvangrijk onderzoek, met name door het grote aantal getuigen dat door de politie en/of de rechter-commissaris is gehoord. In de periode van januari 2013 tot en met mei 2017 zijn vele getuigen de revue gepasseerd. Een groot aantal van deze getuigen heeft in de loop van die periode meerdere malen een verklaring afgelegd, soms met tussenpozen van jaren, en in verschillende landen. Enkele uitzonderingen daargelaten, hebben met name de aangeefsters c.q. slachtoffers op uiteenlopende tijdstippen uitgebreide verklaringen afgelegd over feiten en omstandigheden die zich reeds jaren geleden zouden hebben voorgedaan. Verschillen tussen eerdere en latere verklaringen zijn dan bijna onvermijdelijk.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de (relatief) jeugdige leeftijd van aangeefsters en het feit dat zij zich ten tijde van de ten laste gelegde feiten in een voor hen vreemd land bevonden.
De rechtbank beseft verder dat de vrouwen bij het afleggen van hun verklaringen bovendien beïnvloed kunnen zijn geweest door wat zij in de tussentijd van andere betrokkenen - of uit derde hand - over het onderzoek hadden gehoord. Zo blijkt uit het dossier dat de vrouwen - evenals de verdachten - vrijwel allemaal uit de relatief kleine gemeenschap van [plaats] , of omgeving, afkomstig zijn.
Van belang is voorts dat de vrouwen bij het afleggen van hun verklaringen specifieke vragen hebben moeten beantwoorden over hun (voorgenomen) werk in de prostitutie en hun redenen om dit werk te gaan doen. De rechtbank realiseert zich dat bij deze onderwerpen ‘schaamte’ een relevante rol kan spelen (dat verschillende vrouwen zich schaamden voor hun werk in de prostitutie blijkt ook uit meerdere verklaringen uit het dossier). Zo kan het zijn dat de vrouwen uit schaamte over sommige zaken niet hebben verklaard, of dat zij juist op een bepaalde wijze hebben verklaard om hun eigen ‘verantwoordelijkheid’ zo klein als mogelijk te maken; ook kan het zijn dat zij bepaalde verklaringen hebben afgelegd, domweg ‘om van de zaak af te zijn’.
Voorts realiseert de rechtbank zich dat de vrouwen die aangifte hebben gedaan, een financieel motief kunnen hebben gehad en dat dit in de voorkomende gevallen de voornaamste reden kan zijn geweest om aangifte te doen, of om op een bepaalde wijze te verklaren. Ook ‘wraak’ zou een relevant motief kunnen zijn.
Ten slotte heeft de rechtbank geconstateerd dat de verhorende verbalisanten de vrouwen in sommige gevallen op indringende wijze hebben gewezen op hun positie van slachtoffer van mensenhandel en op de mogelijkheid om aangifte te doen, vanuit de vooronderstelling dat de verdachten hiervoor verantwoordelijk waren.
Deze factoren bieden naar het oordeel van de rechtbank een mogelijke verklaring voor de omstandigheid dat verschillende verklaringen van de aangeefsters c.q. slachtoffers weliswaar onvolkomenheden bevatten, maar tegelijk onderdelen die - onmiskenbaar - overeenkomstig de waarheid zijn.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaringen van de aangeefsters c.q. slachtoffers die onvolkomenheden bevatten niet om die reden van het bewijs moeten worden uitgesloten; de desbetreffende verweren worden dan ook verworpen. Tegelijkertijd is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de aangeefsters c.q. slachtoffers zeer behoedzaam moeten worden benaderd, en dat zij slechts kunnen worden gebruikt waar ze voldoende verankering vinden in andere bewijsmiddelen.

5.6 Vrijspraak van feit 3, 4, 7 en 8
Feit 3 (ZD [slachtoffer 3] ) en 4 (ZD [slachtoffer 4] )
De rechtbank is met de officieren van justitie en de verdediging van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten. De rechtbank zal de verdachte dan ook van deze feiten vrijspreken.
Feit 7 ( [slachtoffer 7] )
In de verklaringen van de aangeefster wordt een duidelijke uitbuitingssituatie geschetst, waarbij er van de zijde van de verdachte onder meer sprake zou zijn geweest van dwang, geweld, bedreiging met geweld, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie. De verdachte heeft dit ontkend. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 7] onvoldoende verankering vinden in andere bewijsmiddelen. Dit betekent dat feit 7 niet kan worden bewezen. De verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.
Feit 8 ( [slachtoffer 8] )
De rechtbank is - anders dan de officieren van justitie - van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het werven van de aangeefster. De rechtbank is verder van oordeel dat op basis van de verschillende verklaringen die zich in het dossier bevinden niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking met betrekking tot de ten laste gelegde handelingen en middelen dat van medeplegen kan worden gesproken. De rechtbank zal de verdachte dan ook van het onder 8 ten laste gelegde feit vrijspreken.

5.7 Overige zaaksdossiers mensenhandel

5.7.1 Feit 2 (ZD [slachtoffer 2] )
De verklaringen van [slachtoffer 2]
[slachtoffer 2] heeft op 16 mei 2014 als getuige binnen het Belgische onderzoek Galaton een verklaring afgelegd, is vervolgens op 12 juli 2014 nader gehoord in Hongarije en heeft daarnaast op 25 mei 2016 als getuige nog een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris.
[slachtoffer 2] is in 2010 voor het eerst in aanraking gekomen met de prostitutie. Haar toenmalige vriend [betrokkene] vertelde haar dat hij een mogelijkheid wist om goed te verdienen. Dit ging om prostitutiewerk. Hij heeft haar voorgesteld aan [verdachte] en [medeverdachte] . Zij is naar hun woning in Hongarije gegaan en daar werden afspraken gemaakt over haar verdiensten. [slachtoffer 2] zou 50 euro per dag afdragen aan [verdachte] en [medeverdachte] . Zij kreeg te horen dat [medeverdachte] en [medeverdachte] in Nederland waren en dat [medeverdachte] ook in de prostitutie werkte. Zij is eind november 2010 met de bus vanuit Boedapest samen met [betrokkene] naar Nederland gegaan. In Nederland zijn ze opgehaald door [medeverdachte] en [betrokkene] en zijn ze naar de woning van [medeverdachte] en [medeverdachte] aan de [adres] te Den Haag gegaan. Daar woonden [betrokkene] en zijn vrouw [betrokkene] ook. De volgende dag is zij samen met [medeverdachte] en [betrokkene] naar de 25-Euro straat, de [plaats] , te Den Haag gegaan. [medeverdachte] en [betrokkene] hadden al een kamer voor haar geregeld en hebben haar toen alles uitgelegd, over wat zij moest doen en hoe dat moest gebeuren, omdat zij nog niet eerder in de prostitutie had gewerkt.
[slachtoffer 2] heeft tot aan de kerst iedere dag van half 11 ’s morgens tot 12 uur ’s avonds gewerkt en heeft per dag 50 euro bewaard voor [verdachte] en [medeverdachte] . Zij moest meebetalen aan het eten en gezamenlijke kosten, en ook haar eigen busticket betalen. [betrokkene] leefde ook van haar geld. [medeverdachte] en de anderen namen het geld dat zij verdiend had voor [verdachte] mee toen zij rond kerst naar Hongarije gingen. [slachtoffer 2] is
23 of 24 december 2010 terug gegaan naar Hongarije.
In Hongarije heeft zij verteld dat zij op deze manier niet meer wilde werken, omdat zo al haar geld naar [betrokkene] ging en zij niets overhield. [verdachte] en [medeverdachte] wilden haar wel helpen. [betrokkene] hoefde niet meer mee. Zij zou met [verdachte] meegaan, alleen zou zij dan niet meer 50 euro, maar de helft van haar verdiensten afdragen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij altijd werd geconfronteerd met de feiten, ze vroegen haar niet of zij wel of niet iets wilde. [slachtoffer 2] is in januari 2011 met [verdachte] en [medeverdachte] naar Duitsland gegaan om daar in een saunabar te werken als prostituee. Omdat [slachtoffer 2] veel klanten had en maar maximaal 200 euro kon verdienen, realiseerden [verdachte] en [medeverdachte] zich dat zij ergens anders veel meer geld konden verdienen. Zij hebben toen besloten dat ze weer naar Nederland zouden gaan. Niemand heeft [slachtoffer 2] iets gevraagd, het werd haar gezegd. Eind maart 2011 zijn ze naar Nederland gegaan. Ze verbleven eerst bij [medeverdachte] en [medeverdachte] , maar zijn vervolgens aan de [adres] gaan wonen. [slachtoffer 2] moest een hele week werken om daar geld voor te sparen.
[slachtoffer 2] verdiende elke dag ongeveer 700 à 800 euro, buiten de huur van haar werkkamer. Zij moest ook werken als zij ziek was. Met Pasen 2011 wilde [slachtoffer 2] naar Hongarije, maar dit mocht niet omdat er dan een te groot inkomstenverlies zou zijn. Vervolgens werd zij vier dagen ziek maar moest zij alsnog 350 euro per dag aan hen betalen, omdat dit de helft was van wat zij gebruikelijkerwijs verdiende. Zij is nooit fysiek mishandeld, maar werd wel geestelijk helemaal afhankelijk van hen. Zij was de “kip met het gouden ei”. Zij zag hen als haar ouders en daar hebben ze misbruik van gemaakt.
In augustus 2011 is [slachtoffer 2] naar huis gegaan. Zij is daar een maand gebleven en is daarna in september 2011 weer naar Den Haag gegaan om te werken. Op de vraag waarom zij toch weer terug is gegaan naar Nederland, heeft [slachtoffer 2] geantwoord dat zij het gevoel had dat [verdachte] en [medeverdachte] haar familie waren en dat het dan natuurlijk is om terug te gaan. Ze gedroegen zich als surrogaatvader en -moeder. [slachtoffer 2] noemde hen papa en mama. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij heel beïnvloedbaar was, omdat zij 18 jaar was en uit een gebroken gezin kwam. [verdachte] en [medeverdachte] hebben misbruik gemaakt van haar behoefte aan liefde. Ze hebben haar doen geloven dat ze van haar hielden als hun kind. Zolang zij goed verdiende, hoefden ze haar niet uit te schelden. Ze leefden goed van haar. Zolang [slachtoffer 2] deed wat [verdachte] en [medeverdachte] wilden, waren er geen klachten. Er ontstonden conflicten, zodra [slachtoffer 2] haar eigen wil wilde doorzetten.
Op een dag had zij 725 euro verdiend en omdat zij moe was, is zij een uurtje eerder naar huis gegaan. Zij werd toen helemaal uitgescholden omdat zij te weinig had verdiend. Zij heeft toen gezegd dat zij er helemaal klaar mee was en dat zij naar huis zou gaan. [medeverdachte] zei toen tegen haar dat zij niet moest vergeten dat zij uit dezelfde stad kwamen en dat als zij naar de politie zou gaan zij rekening moest houden met de gevolgen. [medeverdachte] zei dat zij alleen weg kon als ze 4000 euro zou geven. [slachtoffer 2] heeft dat bedrag gegeven en is eind november 2011 met [verdachte] en [medeverdachte] naar Hongarije gegaan. Daar werd zij constant in de gaten gehouden door de familie [verdachte] . Zij waren bang haar kwijt te raken omdat zij hun “kip met gouden eieren” was. Na enige tijd was alles weer tot rust gekomen en zeiden [verdachte] en [medeverdachte] dat zij haar 4.000 euro terug zou krijgen als zij weer zou komen werken.
In januari 2012 is ze weer met hen terug gegaan naar Nederland, maar de 4.000 euro heeft zij nooit terug gezien. Tijdens deze reis gingen [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] ook mee. De avond voor vertrek uit Hongarije sliepen [slachtoffer 6] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 2] bij [verdachte] en [medeverdachte] . [verdachte] en [medeverdachte] hadden naar [slachtoffer 2] verwezen door te zeggen “Kijk hoe fijn het is om dit te doen”. [slachtoffer 2] leefde best goed van het geld dat zij voor zichzelf kon houden en was dus een goed voorbeeld.
In maart 2012 is zij weer naar Hongarije gegaan en zij is daar gebleven tot eind mei, begin juni 2012. In de tussentijd waren [verdachte] en [medeverdachte] met een ander meisjes naar Nederland gegaan. In mei 2012 hebben [verdachte] en [medeverdachte] haar weer benaderd en hebben zij haar overgehaald om mee terug te gaan naar Nederland. Ze zeiden dat het anders zou gaan en haar niet zouden afvallen als zij minder zou verdienen. Zij ging met hen mee naar Nederland en heeft weer geld aan [verdachte] en [medeverdachte] afgestaan. Na mei 2012 is [slachtoffer 2] nog een keer met [verdachte] en [medeverdachte] terug gegaan naar Hongarije. Dit was voor een bruiloft van een vriendin van [slachtoffer 2] in juni 2012.
[slachtoffer 2] heeft op fifty-fifty basis gewerkt voor [verdachte] en [medeverdachte] . Van haar vijftig procent van de inkomsten moest de kamerhuur nog af en zij moest de woning en alle andere dingen nog betalen. Ze moest 750 euro per dag verdienen en werd gebeld door [verdachte] en [medeverdachte] met de vraag hoeveel zij verdiend had. Zij moest van hen ook een auto van 4.000 euro kopen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat andere meisjes qua verdiensten met haar werden vergeleken, zij voelde zich een wedstrijdpaard. Medio september 2012 is [slachtoffer 2] uiteindelijk met behulp van een vriendin, [betrokkene] , bij [verdachte] en [medeverdachte] weggegaan.
Getuigen
[slachtoffer 6] heeft op 5 april 2016 als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat zij haar vergeleken met [slachtoffer 2] , door te zeggen “Kijk wat [slachtoffer 2] verdiend heeft”. Zij heeft ook verklaard dat [slachtoffer 2] haar geld aan [medeverdachte] heeft gegeven. Ze hoorde dat tegen [slachtoffer 2] werd gezegd dat ze het ook zonder condooms moest doen om zo meer geld te verdienen. Over de wijze waarop [verdachte] met [slachtoffer 2] omgingen verklaarde [slachtoffer 6] : “ze gingen echt op een hele lelijke manier met [slachtoffer 2] om”. “ [slachtoffer 2] was heel bang voor hen. Dat zag ik aan haar. Als zij tegen haar begonnen te gillen, dan kroop ze in elkaar.”.
[getuige] heeft verklaard dat hij een gesprek tussen [slachtoffer 2] en [verdachte] had gehoord, waarin door [verdachte] werd gezegd dat alles voor de helft gedeeld werd. Ook heeft [getuige] een paar keer meegekregen dat [verdachte] ontevreden waren over [slachtoffer 2] ; zij hebben toen tegen haar gezegd dat zij nog meer bij elkaar moest sprokkelen.
Overige bevindingen
Op 6 januari 2012 vond er een gerechtelijke ontruiming plaats van de woning aan de [adres] in Den Haag. Uit een mutatie blijkt dat op dat moment [slachtoffer 2] [medeverdachte] ( [medeverdachte] ), [verdachte] , [slachtoffer 6] (dat is [slachtoffer 6] ) en [slachtoffer 5] aanwezig waren.
Op 2 maart 2012 is [slachtoffer 2] op de [adres] in een auto gecontroleerd in het bijzijn van [verdachte] en [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte] ). De auto kwam uit de nabijheid van het prostitutiegebied [adres] . [slachtoffer 2] verklaarde dat zij werkzaam was in de [adres] en dat [medeverdachte] haar tante is. [slachtoffer 2] heeft als adres opgegeven [adres] . Zij zouden daar alledrie verblijven.
Uit de bij [bedrijf] en [bedrijf] opgevraagde en ontvangen huuradministratie met betrekking tot [slachtoffer 2] blijkt dat zij werkruimte heeft gehuurd in de [plaats] in de volgende periodes: drie dagen eind maart 2011, 7 januari 2012 tot en met 29 februari 2012, 24 mei 2012 tot en met 16 juli 2012, 15 augustus 2012 tot en met 5 oktober 2012, 19 november 2012 tot en met 18 december 2012 en 12 januari 2013 tot en met 6 februari 2013. Hierbij heeft [slachtoffer 2] als adres [adres] te Den Haag en vanaf 28 juni 2012 [adres] te [plaats] opgegeven.
De verklaringen van [verdachte]
[verdachte] heeft op 20 mei 2015 bij de politie, op 16 december 2015 bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting van 1 en 2 februari 2018 verklaringen afgelegd met betrekking tot [slachtoffer 2] .
[verdachte] heeft [slachtoffer 2] in december 2010 leren kennen via [betrokkene] . [betrokkene] wilde geld van hem lenen. [betrokkene] en [slachtoffer 2] zijn met de bus naar [medeverdachte] in Nederland gegaan. Hij heeft achteraf vernomen dat [slachtoffer 2] toen in de prostitutie heeft gewerkt. Een paar weken later kwam [betrokkene] weer naar [plaats] en betaalde hem het geleende geld terug.
[slachtoffer 2] kwam een paar dagen later en zij zei dat zij klaar was met [betrokkene] . Ze hadden ruzie gekregen. [slachtoffer 2] vertelde dat zij voor haarzelf in de prostitutie wilde gaan werken. [verdachte] heeft verklaard dat de financiële situatie van [slachtoffer 2] niet goed was, ze had geen goede relatie met haar moeder en haar ouders waren gescheiden. Zij vroeg hem of hij haar kon helpen met werk. [slachtoffer 2] vertelde dat zij had gehoord dat [medeverdachte] in Duitsland was. [slachtoffer 2] wilde daar gaan werken. [verdachte] heeft [slachtoffer 2] met de auto naar Duitsland gebracht. [medeverdachte] reed ook mee. [slachtoffer 2] heeft daar gewerkt in een saunabar. [verdachte] is na een paar dagen terug gegaan naar Hongarije, omdat hij geen werk kon vinden.
Toen hij weer in Hongarije was, wilden [verdachte] en [medeverdachte] naar Nederland gaan om werk te vinden. In de tussentijd had [slachtoffer 2] een relatie gekregen met [getuige] . Zij heeft tegen [verdachte] gezegd dat zij graag naar Nederland wilde gaan, onder de voorwaarde dat [verdachte] mee zou komen, zodat zij in Nederland nergens problemen mee zou krijgen. [slachtoffer 2] had voorgesteld om 70 euro per dag aan [verdachte] te betalen en dat heeft hij geaccepteerd. Hij is samen met [medeverdachte] en [getuige] met de auto naar Duitsland gereden en ze hebben daar [slachtoffer 2] opgehaald. Daarna reden ze naar Nederland.
Ze gingen naar Den Haag naar de woning van [medeverdachte] en [medeverdachte] . Ze besloten samen met [slachtoffer 2] en [getuige] een woning te zoeken en gingen met zijn vieren wonen aan de [adres] in Den Haag. Dat was in maart 2011. [slachtoffer 2] is in de prostitutie gaan werken. [verdachte] wilde in Nederland ook werk vinden, maar dit is niet gelukt. [verdachte] en [medeverdachte] wilden toen terug gaan naar Hongarije. [slachtoffer 2] heeft toen aangeboden om vijftig procent van haar inkomsten af te staan, omdat zij het prettig vond dat zij [verdachte] en [medeverdachte] om haar heen had. Zij vond het prettig dat er een familiegevoel was als zij thuiskwam en dat de woning schoon was. Daarnaast zorgde [verdachte] met zijn aanwezigheid voor bescherming, zodat anderen niets met haar konden beginnen. Nadat [verdachte] de afspraak van vijftig procent had geaccepteerd, konden hij en [medeverdachte] in Nederland blijven en wist [medeverdachte] ook van de afspraak.
[getuige] kreeg ruzie met [slachtoffer 2] en ging na ongeveer anderhalve maand of twee maanden weg. Tot ongeveer januari 2012 zijn ze met zijn drieën aan de [adres] blijven wonen. Soms sliepen er wel mensen: familie van [medeverdachte] zoals [medeverdachte] en vriendinnen van [slachtoffer 2] . Er sliepen ook weleens andere meisjes bij hen, bijvoorbeeld [betrokkene] . Daarna gingen ze naar een andere adres.
[slachtoffer 2] heeft niet voor [verdachte] en [medeverdachte] gewerkt. Hij en [medeverdachte] hebben alleen met [slachtoffer 2] samengewoond. [slachtoffer 2] voelde zich thuis bij hen en zij zijn op haar verzoek bij haar gebleven. [medeverdachte] kookte en [medeverdachte] en hij betaalden de boodschappen. In het begin betaalden [slachtoffer 2] en [verdachte] de huur samen, na de fifty-fifty afspraak betaalden [medeverdachte] en [verdachte] de huur met de vijftig procent van de verdiensten van [slachtoffer 2] . Zelf hadden [verdachte] en [medeverdachte] in het begin nog spaargeld, maar later hadden zij geen andere inkomsten. Zij konden geen werk vinden. [slachtoffer 2] heeft de auto van [verdachte] gekocht voor 4000 euro.
Tot april 2012 hebben ze aan de [adres] gewoond. Daarna verhuisden ze naar het [adres] in [plaats] . Daar woonden zij samen met een Hongaar die daar al woonde. Hij kreeg nog steeds de vijftig procent van [slachtoffer 2] . In mei 2012 is het contact tussen [slachtoffer 2] en [verdachte] opgehouden. Hij weet niet wat de reden daarvoor was. [slachtoffer 2] kwam niet meer thuis en toen zijn [medeverdachte] en hij weer terug gegaan naar [plaats] . Bij de rechter-commissaris heeft [verdachte] verklaard dat [medeverdachte] niet op het [adres] heeft gewoond.
Conclusie
Op grond van voorgaande bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 2] in twee periodes voor [verdachte] en [medeverdachte] heeft gewerkt, in de zin dat zij een deel van haar verdiensten aan hen heeft afgedragen. Zo heeft zij in de periode november-december 2010 50 euro per dag aan [verdachte] afgedragen en in de periode maart-oktober 2012 de helft van haar verdiensten. De verklaring van [slachtoffer 2] vindt op deze punten voldoende verankering in andere bewijsmiddelen. Zo blijkt uit de verklaring van [getuige] dat de inkomsten van [slachtoffer 2] gedeeld werden. Volgens de verklaring van [slachtoffer 2] moeten uit haar verdiensten forse bedragen aan [verdachte] zijn toegekomen en dat strookt ermee dat [verdachte] , van wie niet is gebleken dat zij inkomsten uit eigen werk hadden, wel een woning in Nederland huurden, een auto reden (etc.). En ook [verdachte] heeft verklaard dat er sprake was van een afspraak op grond waarvan de helft van de verdiensten van [slachtoffer 2] aan hem toe zou komen (al verklaart hij anders over de aanleiding van deze afspraak). Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat die afspraak heeft bestaan. Hieruit leidt de rechtbank bovendien af dat het de praktijk was dat [verdachte] aan de prostitutie van [slachtoffer 2] verdienden en dat dit de reden was waarom zij bij hen verbleef. Dit biedt verankering voor het onderdeel van de verklaring van [slachtoffer 2] , waar zij verklaart over de financiële afspraken (50 euro per dag) vóór de periode waarin zij de helft van haar inkomsten afdroeg. Het valt niet in te zien waarom [slachtoffer 2] steeds bij [verdachte] zou hebben verbleven als zij niet aan haar verdienden; dit was kennelijk de basis van hun verhouding.
Handelingen? Dwangmiddelen? Uitbuiting?
Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 2] nog jong was toen zij aan [verdachte] werd voorgesteld. Bovendien kwam zij uit een gebroken gezin, had zij geen (goede) relatie met haar ouders en verkeerde bovendien in financiële problemen. [verdachte] heeft verklaard van deze omstandigheden op de hoogte te zijn geweest. [medeverdachte] moet eveneens van die omstandigheden op de hoogte zijn geweest, in ieder geval vanaf het moment dat [slachtoffer 2] van [betrokkene] afwilde en [medeverdachte] zich (steeds meer) ging opstellen als ‘surrogaatouder’ van [slachtoffer 2] . Indien [slachtoffer 2] ‘echte’ ouders zou hebben gehad, was de rol van surrogaatouder immers niet mogelijk geweest. Ook overigens moet [medeverdachte] vanaf dat moment van de omstandigheden van [slachtoffer 2] op de hoogte zijn geweest: [medeverdachte] ging vanaf dat moment immers steeds intensiever met [slachtoffer 2] om, en ook haar man (met wie [medeverdachte] de afspraken met [slachtoffer 2] maakte) was van de omstandigheden van [slachtoffer 2] op de hoogte. Het tegendeel (dat [medeverdachte] in al die tijd van toeten noch blazen zou hebben geweten) zou betekenen dat [medeverdachte] en [verdachte] nooit met elkaar hebben gesproken over de achtergrond van een voor hen kennelijk uitermate belangrijke persoon. Dit is volstrekt ongeloofwaardig.
Uit het voorgaande blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] hun overwicht (als ‘surrogaatouders’) en de kwetsbare positie van [slachtoffer 2] hebben aangegrepen om te leven van haar verdiensten als prostituee. In dit verband hebben zij met [slachtoffer 2] aanvankelijk afgesproken dat zij 50 euro per dag aan hen zou betalen, en later de helft van haar inkomsten. In beide gevallen komen de afspraken erop neer dat [slachtoffer 2] een deel van haar inkomsten afstond, zonder dat daar een reële tegenprestatie tegenover stond.
Gelet op het voorgaande kan worden bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] door middel van misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van haar kwetsbare positie [slachtoffer 2] hebben geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van seksuele uitbuiting (sub 1). Bovendien kan worden bewezen dat zij haar hebben meegenomen en aangeworven om [slachtoffer 2] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3). Voorts kan worden bewezen dat zij [slachtoffer 2] ertoe hebben bewogen om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandigheden handelingen hebben ondernomen waarvan zij wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat zij zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die arbeid of diensten (sub 4). Ten slotte kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken (sub 6) uit de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 2] en dat zij haar hebben bewogen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen te bevoordelen (sub 9). Feit 2 zal dienovereenkomstig bewezen worden verklaard. [verdachte] en [medeverdachte] hebben deze feiten in de periode vanaf 1 januari 2011 tezamen en in vereniging gepleegd (in die periode was immers ook [medeverdachte] van de omstandigheden van [slachtoffer 2] op de hoogte).

5.7.2 Feit 1 (ZD [slachtoffer 1] )
De verklaringen van [slachtoffer 1]
Op 3 september 2014 en 29 oktober 2015 heeft [slachtoffer 1] in Bolton (Engeland) verklaringen afgelegd. Daarnaast heeft zij op 23 januari 2017 als getuige nog een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris.
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij in Hongarije in een moeilijke situatie leefde, de situatie was hopeloos. Zij woonde samen met haar moeder en met vier kinderen (waarvan drie van haar zus) in één kamer waar geen verwarming was. Zij leerde [getuige] kennen die drugs gebruikte en heeft toen ook drugs gebruikt. Ze hebben toen op een gegeven moment gesproken met een vriend van [getuige] , [verdachte] . [slachtoffer 1] kende [verdachte] al van jongs af aan, ze woonden allebei in [plaats] . Zij kende zijn vrouw [medeverdachte] ook al lang.
[verdachte] en [medeverdachte] hebben haar verteld dat ze een meisje hadden. Ze hebben haar verteld dat je in Nederland heel veel geld kan verdienen. [slachtoffer 1] is meerdere keren bij hen geweest. Ze lieten zien hoeveel je hiermee kon verdienen. Het meisje had een auto gekocht, dus zoveel geld kon je daarmee verdienen. [medeverdachte] en [verdachte] hebben gezegd wat je in Nederland kon doen. [verdachte] wist dat [slachtoffer 1] en haar familie geen geld had. Ze konden thuis niet eens de kachel stoken. [verdachte] vertelde dat het goed zou zijn om te werken en zo haar financiële problemen op te lossen. [verdachte] vertelde dat hij de reis, het werk en een huis kon regelen. De kosten zou [slachtoffer 1] dan later terug betalen Zij is toen akkoord gegaan om dat werk te doen. Vooral omdat [verdachte] haar vertelde dat hij op haar zou passen en als zij wilde stoppen dit ook gebeurde. Ze zouden ieder weekend naar huis gaan. [verdachte] vertelde haar dat hij op haar zou passen alsof zij een dochter van hem was. [slachtoffer 1] zou vijftig procent mogen houden. De andere vijftig procent zou [verdachte] krijgen voor eten, huur, kamer en de woning. Zij sprak wel altijd met [verdachte] , maar het was ook een afspraak met [medeverdachte] . [slachtoffer 1] heeft verklaard dat het haar eigen keuze is geweest om naar Nederland te komen. [slachtoffer 1] wist eigenlijk niets over werken in de prostitutie in Nederland.
[slachtoffer 1] is samen met [verdachte] , [medeverdachte] en [getuige] met de auto naar Nederland gegaan. Ze gingen daar naar de woning van [verdachte] en [medeverdachte] . [verdachte] had haar verteld dat er voor haar een ander meisje in de woning had gewoond, zij heette [slachtoffer 2] . De dag na de aankomst in Nederland heeft zij een werkkamer gehuurd. Zij kreeg instructies van [verdachte] en [medeverdachte] over de kamerhuur. De eerste drie dagen was de situatie niet zo slecht. Daarna begon de druk op haar en werd zij belast met extra kosten. Er werd een schuld berekend van 5000 euro. Zij moest al haar geld afgeven. [slachtoffer 1] heeft geen geld gezien, omdat haar werd gezegd dat zij en [getuige] geld verschuldigd waren vanwege de reis en de huisvesting. [verdachte] vergeleek [slachtoffer 1] ook met anderen qua verdiensten. Het leek wel of hij met zijn zwager [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte] ) een wedstrijd deed wie het meeste verdiende. De omslag in het gedrag van [verdachte] en [medeverdachte] vond vooral plaats op het moment dat [getuige] was vertrokken. [getuige] is weggestuurd als gevolg van een ruzie met [slachtoffer 1] .
[slachtoffer 1] werkte als prostituee en moest tijdens het werken steeds bellen over haar verdiensten. Zij had van [verdachte] en [medeverdachte] een prepaid telefoon gekregen. [slachtoffer 1] kreeg iedere dag instructies. De zus van [medeverdachte] genaamd [medeverdachte] of [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte] ) stond tegenover of achter haar te werken en hield haar in de gaten. Men wist wanneer zij niet werkte. Zij werd overal in de gaten gehouden, op het werk en thuis.
Ze vertelden haar hoe lang zij de kamer moest huren. Zij werkte telkens 16 uur per dag. [slachtoffer 1] vertrok vroeg in de ochtend en het was al donker als zij naar huis kon. Zij werd elke ochtend wakker gemaakt door [medeverdachte] en moest zich dan haasten om de tram te halen.
[slachtoffer 1] mocht niet te lang douchen, zodat zij zo lang mogelijk kon slapen en de volgende ochtend weer kon gaan werken en geld voor hen kon verdienen.
Er waren dagen dat zij 600 euro moest verdienen en er waren ook dagen dat zij 800 euro moest verdienen. Dat was afhankelijk van of het een doordeweekse dag of het weekend betrof en afhankelijk van hoeveel klanten konden worden verwacht. Daarbij moest zij ook handelingen verrichten die zij niet wilde doen. Ze vertelden dat zij met een bedrag van minder dan die 600 of 800 euro niet thuis hoefde te komen. Als zij dit niet had verdiend, schreeuwden ze tegen haar. [slachtoffer 1] werkte ook als zij menstrueerde. Ze kochten een roze spons en [medeverdachte] vertelde dat zij op haar werk moest vragen hoe het werkte. [verdachte] vertelde dat zij het niet moest wagen om te vluchten, omdat haar moeder en kind dan in de problemen zouden komen. Zij kon niet naar Hongarije gaan. Zij nam de bedreigingen serieus. Van de beloften is niets terecht gekomen. [verdachte] en [medeverdachte] hadden geen werk in Nederland.
Uiteindelijk heeft zij de beslissing genomen om weg te gaan. Zij kon er niet meer tegen. De situatie werd steeds grover. Zij was wel bang dat er iets met haar familie zou gebeuren. [slachtoffer 1] had tijdens het werken een Irakese man leren kennen. Zij is uiteindelijk naar hem gevlucht en naar Engeland vertrokken. Zij heeft ongeveer drie weken tot een maand voor [verdachte] en [medeverdachte] gewerkt.
[slachtoffer 1] heeft de woning aan de [adres] in Den Haag herkend als het adres waar zij heeft gewoond.
Getuigen
[getuige] heeft op 23 november 2016 als getuige bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat [verdachte] werk voor [slachtoffer 1] had geregeld en dat hij [verdachte] daarvoor benaderd had. [medeverdachte] was ook bij dat gesprek in Hongarije aanwezig. Er is toen besproken dat zij met [verdachte] en [medeverdachte] naar Nederland konden reizen en een kamer in hun woning zouden krijgen. [verdachte] en [medeverdachte] zouden hen helpen tot [getuige] ook een baan zou hebben. [medeverdachte] was in Den Haag aanwezig. Zij zijn met zijn vieren naar Den Haag gereisd. [slachtoffer 1] vertrok in de ochtend en zij kwam in de avond thuis. [getuige] heeft [slachtoffer 1] gevraagd waarom zij nog geen contract had en geen geld kreeg. Hij had het gevoel dat [slachtoffer 1] daarover loog.
[getuige] heeft op 15 januari 2015 bij de politie verklaard dat [slachtoffer 1] naar hem was gevlucht en dat het geld voor het ticket naar Engeland door de zus van [slachtoffer 1] is betaald.
[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij in maart 2012 naar Hongarije is gegaan en dat zij daar is gebleven tot eind mei, begin juni 2012. In de tussentijd waren [verdachte] en [medeverdachte] met een ander meisje naar Nederland gegaan. In mei 2012 hebben [verdachte] en [medeverdachte] haar weer benaderd en hebben zij haar overgehaald om mee terug te gaan naar Nederland.
Overige bevindingen
Op 15 april 2012 hebben gecertificeerde mensenhandel rechercheurs in de [plaats] in Den Haag tijdens een controle gesproken met [slachtoffer 1] . De rechercheurs zagen in de telefoon van [slachtoffer 1] dat zij 20 keer gebeld was door een contactpersoon genaamd [medeverdachte] . [slachtoffer 1] vertelde dat dit [medeverdachte] moest zijn, dat zij een vrouw is, haar man heet [verdachte] . Ze woonden ergens op de [adres] .
Uit de bij [bedrijf] opgevraagde en ontvangen huuradministratie met betrekking tot [slachtoffer 1] blijkt dat zij werkruimte heeft gehuurd in de [plaats] van 14 april 2012 tot en met 5 mei 2012. Hierbij gaf zij als adres [adres] op.
De verklaringen van [verdachte]
heeft op 12 april 2015 bij de politie verklaard dat hij [slachtoffer 1] niet in Nederland heeft gezien, dat hij [getuige] al heel lang kent en dat [slachtoffer 1] niet met hem, [medeverdachte] en [getuige] naar Nederland is gekomen.
Ter terechtzitting van 1 februari 2018 heeft [verdachte] verklaard dat hij naar Nederland wilde gaan om zijn spullen uit de woning aan de [adres] te halen. [getuige] had hem gevraagd of hij en [slachtoffer 1] mee konden gaan. [getuige] had hem gevraagd of hij hen kon helpen met het vinden van een woning, zodat zij in Nederland konden blijven. Zij zijn met zijn drieën naar Nederland gereden. Zij verbleven samen in de woning aan de [adres] . [verdachte] wist niet wat voor werk [slachtoffer 1] in Nederland zou doen. [verdachte] is ongeveer vier dagen gebleven en is toen weer terug gegaan naar Hongarije. [medeverdachte] was niet mee.
Conclusie
De verklaringen van [slachtoffer 1] vinden voldoende verankering in overige bewijsmiddelen. Zij heeft verklaard dat zij door een idee van [getuige] met [verdachte] en [medeverdachte] heeft gesproken over het werken als prostituee in Nederland. Dit wordt door de verklaring van [getuige] bevestigd. Voorts heeft [slachtoffer 1] verklaard dat [verdachte] zeiden dat zij op dat moment al een meisje ‘hadden’, ene ‘ [slachtoffer 2] ’, die bij hen had gewoond. Dit strookt met hetgeen hiervoor in zaaksdossier [slachtoffer 2] is vastgesteld en met de verklaring van [slachtoffer 2] dat zij in maart 2012 naar Hongarije is gegaan en daar tot eind mei, begin juni 2012 was gebleven, en dat in de tussentijd [verdachte] met een ander meisje naar Nederland waren gegaan (dit moet [slachtoffer 1] zijn geweest). Uit [slachtoffer 1] ’ verklaring volgt verder dat zij, eenmaal werkend in de prostitutie in Nederland, de helft van haar verdiensten zou moeten afstaan aan [verdachte] . Uiteindelijk heeft [slachtoffer 1] al haar geld afgedragen; zo zou er volgens [verdachte] een schuld zijn ontstaan van 5.000 euro. Dit wordt ondersteund door de verklaring van [getuige] , waaruit kan worden afgeleid dat [slachtoffer 1] wel werkte maar geen geld kreeg. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij [verdachte] steeds over haar verdiensten moest informeren. Dit wordt bevestigd door het proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van de controle op 15 april 2012; tijdens die controle is geconstateerd dat [slachtoffer 1] een telefoon bij zich had, die 20 keer was gebeld door een contactpersoon ‘ [medeverdachte] ’, over wie [slachtoffer 1] direct verklaarde dat dit ‘ [medeverdachte] ’ moest zijn, wier man ‘ [verdachte] ’ heet. Dit ondersteunt tegelijkertijd de verklaring van [slachtoffer 1] waarin zij verklaart dat er druk op haar werd uitgeoefend. [slachtoffer 1] heeft ten slotte verklaard dat zij er op enig moment niet meer tegen kon en toen naar een Irakese man ( [getuige] ) is gevlucht. Dit wordt door getuige [getuige] bevestigd.
Uit het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat [verdachte] en [medeverdachte] [slachtoffer 1] , een jonge Hongaarse vrouw, naar een voor haar onbekend land hebben gebracht om haar daar - onder voor haar kennelijk verder onbekende omstandigheden - in de prostitutie te laten werken. Dat [slachtoffer 1] zich door deze omstandigheden in een afhankelijke situatie bevond, blijkt wel uit de omstandigheid dat zij zich kennelijk slechts van [verdachte] kon losmaken door naar een klant, [getuige] , te vluchten.
[verdachte] en [medeverdachte] hebben bovendien de nodige druk op [slachtoffer 1] uitgeoefend: zij werd steeds door hen gebeld met de vraag hoeveel zij had verdiend. Ondertussen gaf [slachtoffer 1] al haar verdiensten aan [verdachte] af - waardoor haar afhankelijke positie werd versterkt - en heeft daarvan niets teruggezien. [verdachte] en [medeverdachte] hebben niets gedaan dat het ontvangen van die verdiensten zou kunnen rechtvaardigen.
Gelet op het voorgaande kan worden bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] door middel van dwang, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van haar kwetsbare positie [slachtoffer 1] hebben gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van seksuele uitbuiting (sub 1). Bovendien kan worden bewezen dat zij haar hebben meegenomen en aangeworven om [slachtoffer 1] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3). Voorts kan worden bewezen dat zij [slachtoffer 1] ertoe hebben bewogen om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandigheden handelingen hebben ondernomen waarvan zij wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat zij zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die arbeid of diensten (sub 4). Ten slotte kan worden bewezen dat verdachten opzettelijk voordeel hebben getrokken (sub 6) uit de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 1] en dat zij haar hebben bewogen hen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen te bevoordelen (sub 9). Feit 1 zal dienovereenkomstig bewezen worden verklaard. [verdachte] en [medeverdachte] hebben dit feit tezamen en in vereniging gepleegd.

De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken