Rb. Den Haag 10 januari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:171
Overheidsaansprakelijkheid. Collectieve actie van de Woonbond tegen onder meer de Staat en een woningcorporatie over afgifte en gebruik van de inkomensverklaring ex artikel 7:252a, derde lid, BW, voor inkomensafhankelijke huurverhoging. Ontvankelijkheid. Taakverdeling burgerlijke rechter/bestuursrechter. Overlegvereiste artikel 3:305a BW. De zaak tegen de woningcorporatie is gedeeltelijk een aardzaak (huur) en leent zich voor meervoudige behandeling. Verwijzing naar de kantonrechter en terugverwijzing op de voet van art 98 Rv is in deze specifieke omstandigheden van het geval een ‘rondje om de kerk’ dat geen redelijk doel dient en blijft achterwege. Afgifte en gebruik van de ná 1 april 2016 afgegeven inkomensverklaringen is niet in strijd met de door de Woonbond genoemde privacyregels en dus niet onrechtmatig. In de zaak tegen de woningcorporatie ging het ook om gebruik van vóór 1 april 2016 afgegeven inkomensverklaringen. Het gebruik van deze inkomensverklaringen door deze verhuurder niet onrechtmatig is: niet blijkt dat de woningcorporatie wist of kon niet weten dat de verstrekking van de inkomensverklaringen voor 1 april 2016 in strijd met artikel 67 Awr geschiedde.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 93 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 98 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 94 Gw
- Artikel 21 AWR
- Artikel 21f AWR
- Artikel 67 AWR
- Artikel 7:252a BW7
- Artikel 7:253 BW7
- Artikel 7:262 BW7
- Artikel 7:752a BW7
- Artikel 3:302 BW3
- Artikel 3:303 BW3
- Artikel 3:305a BW3
- Artikel 8:73 Awb
- Artikel 8:88 Awb
- Artikel 8:89 Awb
- Artikel 8 Wet bescherming persoonsgegevens
- Artikel 40 Wet bescherming persoonsgegevens
- Artikel 45 Wet bescherming persoonsgegevens
- Artikel 8 EVRM