Rb. Den Haag 2 februari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:1191

BV X heeft een deel van haar vermogen (waaronder onroerende zaken en op oproerende zaken gevestigde zakelijke rechten) afgesplitst met eiseres als verkrijgende vennootschap. Een dag later zijn de aandelen in eiseres door BV X verkocht aan BV Y. Naar het oordeel van de rechtbank is de verkrijging niet vrijgesteld op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel h van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet Brv). Nu de aandelen in eiseres binnen drie jaar na de splitsing zijn verkocht is het aan eiseres om aannemelijk te maken dat aan de splitsing zakelijke overwegingen ten grondslag hebben gelegen. Eiseres is niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd. Evenmin is zij erin geslaagd voor de rechtbank aannemelijk te maken dat de afsplitsing niet in overwegende mate was gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Eiseres heeft subsidiair een beroep gedaan op de (gedeeltelijke) vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel i van de Wet Brv. Dit beroep kan niet slagen nu eiseres zich niet in de situatie bevindt dat zij grond in eigendom verkrijgt waarop zij (of haar rechtsvoorganger) reeds opstallen heeft gebouwd. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken