Rb. Den Haag 19 mei 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:5463
Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat Albanië als veilig land van herkomst kan worden beschouwd, door te wijzen op de plaatsing van Albanië in de nationale lijst van veilige landen, zoals deze is opgesteld in Bijlage 13, behorend bij artikel 3.37f, van het VV 2000, te stellen dat Albanië formeel kandidaat-lidstaat van de Europese Unie is, te stellen dat de Europese Commissie jaarlijks de voortgang die het land maakt, onder andere ten aanzien van de mensenrechtensituatie en de bescherming van minderheden en te vermelden dat Albanië de belangrijkste verdragen met betrekking tot mensenrechten, waaronder het EVRM, heeft geratificeerd. Weliswaar is inzichtelijk gemaakt dat Albanië lid is van alle belangrijke mensenrechtenverdragen, maar daaruit volgt niet dat Albanië zijn verdragsverplichtingen in de praktijk nakomt. Verweerder dient immers te onderzoeken of door de autoriteiten in Albanië in het algemeen bescherming wordt geboden. Uit het voorstel van de Europese Commissie van 9 september 2015 en haar voortgangsrapportage van 10 november 2015 blijkt dat Roma geconfronteerd worden met – onder meer – zeer moeilijke leefomstandigheden, discriminatie en frequente sociale uitsluiting. Verweerder heeft ten onrechte in zijn motivering niet toegelicht waarom Albanië, in weerwil van het voorgaande als veilig land kan worden aangemerkt.
De uitspraak op rechtspraak.nl