Rb. Den Haag 29 september 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:12371
De rechtbank stelt voorop dat verweerder alleen tot een kennelijk ongegrondverklaring in de zin van artikel 30b Vw kan besluiten nadat is vastgesteld dat het verzoek ongegrond is. Verweerder heeft deze toetsingsvolgorde in het bestreden besluit juist gehanteerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden tot ongeloofwaardigheid van het asielrelaas is gekomen en daarmee terecht van de ongegrondheid van het verzoek is uitgegaan. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerders conclusie dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef sub e, Vw, waardoor de aanvraag als kennelijk ongegrond kan worden beschouwd, onvoldoende is gemotiveerd. Verweerder heeft onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat van kennelijk tegenstrijdige verklaringen sprake is. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden de rechtsgevolgen in stand te laten, reeds gelet op het feit dat aan de ongegrondheid en de kennelijk ongegrondheid verschillende rechtsgevolgen zijn gekoppeld.
De uitspraak op rechtspraak.nl