Rb. Den Haag 23 november 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:14190
Onrechtmatige overheidsdaad. 1. Consequentie van overschrijding van de in artikel 7 EPGV neergelegde beslistermijn. Reikwijdte artikel 7 EPGV: niet is beoogd om met artikel 7, lid 2, EPGV de redelijke termijn voor berechting in procedures voor geringe vorderingen te harmoniseren. Nu met de procedure voor geringe vorderingen Unierecht ten uitvoer wordt gebracht, dient de vraag of de redelijke termijn is overschreden primair aan artikel 47, tweede alinea, van het Handvest te worden getoetst. Deze toetsing leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn niet is overschreden. 2. Onrechtmatige rechtspraak ? Hoewel de kantonrechter in Amsterdam strikt genomen niet de in laatste aanleg rechtsprekende instantie was – op grond van de Uitvoeringswet EPGV staat cassatieberoep op grond van artikel 80 RO open – wordt in de cassatiegronden van artikel 80 RO aanleiding gezien om toch een inhoudelijk oordeel te geven over de gestelde onrechtmatige rechtspraak in de zin van het Köbler-arrest. Dit oordeel mondt uit de in de conclusie dat de enkele overschrijding van de in artikel 7, lid 2, EPGV neergelegde beslistermijn onvoldoende is om te kunnen spreken van een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht in de zin van het Köbler-arrest. Daartoe is in beginsel vereist dat met de overschrijding van de termijn de redelijke termijn voor berechting in de zin van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest is overschreden. Nu dat niet aan de orde is, is de termijnoverschrijding een onvoldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht in de zin van het Köbler-arrest. 3. Geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan de HR en/of het HvJEU. 4. Dit is een kantonzaak die zich leent voor meervoudige behandeling, waarvoor de wet geen mogelijkheid biedt. De zaak is meervoudig behandeld ter zitting en dit vonnis van de kantonrechter is de vrucht van de beraadslagingen met twee andere kantonrechters.
De uitspraak op rechtspraak.nl