Rb. Den Haag 29 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:16038
Bezwaarschrift ongegrond. Naar het oordeel van de rechtbank leidt een termijnverloop van ruim drie jaar tussen de veroordeling en het moment waarop bij de veroordeelde celmateriaal is afgenomen voor DNA-onderzoek niet tot een gegrondverklaring van het bezwaar. Daartoe overweegt de rechtbank – onder meer – dat wat onder “zo spoedig mogelijk na veroordeling” moet worden verstaan in de wetsgeschiedenis niet verder wordt verduidelijkt en dat de door de wetgever beoogde voortvarendheid bij DNA-afname primair het belang van de opsporing en voorkoming van misdrijven dient. De memorie van toelichting vermeldt niets over een belang van de verdachte bij spoedige afname van DNA en opname in de DNA-databank. Bovendien brengt het (langdurige) tijdsverloop met zich mee dat het DNA-profiel van de veroordeelde voor een kortere periode in de DNA-databank zal zijn opgenomen, waardoor de veroordeelde niet in zijn belangen wordt geschaad.
De uitspraak op rechtspraak.nl