Rb. Den Haag 23 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:15905
Eiser was in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een geldigheidsdatum van 18 juli 2011 tot 8 november 2014. Naar aanleiding van eisers verlengingsaanvraag heeft verweerder aan eiser een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) verleend met ingang van 24 november 2014. De grondslag hiervan is gelegen in het UWV-advies van 18 november 2014, waarin is geadviseerd eiser een gvva te verlenen met ingang van 24 november 2014. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 26, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 en vaste Afdelingsjurisprudentie aangaande dat wetsartikel het moment waarop een vreemdeling heeft aangetoond aan alle vereisten voor vergunningverlening te voldoen, bepalend is voor de ingangsdatum van de verblijfsvergunning waarvoor hij verlenging heeft gevraagd. Anders dan verweerder heeft gedaan, bestaat geen reden aan te sluiten bij de in het UWV-advies genoemde ingangsdatum van 24 november 2014, nu niet in geschil is dat eiser uiterlijk 25 oktober 2014 zijn verlengingsaanvraag op de voorgeschreven wijze bij het AK Voorportaal heeft ingediend. Uit het oogpunt van rechtszekerheid moet de indiening bij dit portaal worden beschouwd als een indiening bij verweerder zelf. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak door, onder verwijzing naar artikel 26, tweede lid, van de Vw 2000, te bepalen dat aan eiser een gvva wordt verleend voor de periode van 8 november 2014 tot 8 november 2015.
De uitspraak op rechtspraak.nl