ABRvS 25 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB4823

Verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd / verlenging geldigheidsduur / ingangsdatum Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover thans van belang, wordt de verblijfsvergunning verleend met ingang van de dag, waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Ingevolge artikel 26, tweede lid, wordt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 verlengd met ingang van de dag, waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd afloopt. Ten aanzien van artikel 26, eerste lid, heeft de Afdeling in de uitspraak van 13 oktober 2004 in zaak no. 200405661/1 (JV 2004/465) overwogen dat, aangezien in dat artikellid in duidelijke bewoordingen is neergelegd dat de verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, de tekst bepalend is voor de uitleg van dat artikellid. De Afdeling ziet ten aanzien van het tweede lid van artikel 26, dat behoudens de daarin opgenomen restrictie vergelijkbaar is, geen aanleiding voor een ander oordeel. Er is geen grond voor het oordeel dat de minister ten onrechte de datum waarop de vreemdelingen de benodigde bescheiden hebben overgelegd bepalend heeft geacht. Er is evenmin grond voor het oordeel dat de minister ten onrechte 15 september 2006 als deze datum aanmerkt, noch dat de minister zijn besluit ter zake niet of onvoldoende zou hebben gemotiveerd. De grief slaagt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen