Rb. Den Haag 4 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:12753

Besluit tot uitstel van de toegangsweigering, vreemdelingenbewaring, schending zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel Betreft beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw 2000 en uitgestelde toegangsweigering op grond van artikel 3, vierde lid, Vw 2000. Grensprocedure: de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement (COM/2013/0411 final - 2009/0165 (COD)) over de toepasselijkheid van de grensprocedure geeft geen aanleiding om te concluderen dat een “pré-toets” is vereist. Geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen omdat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de vragen over de uitleg van artikel 31, achtste lid, van de Procedurerichtlijn moeten worden opgelost, nu die vragen zijn beantwoord in de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 28 september 2015,ECLI:NL:RBDHA:2015:11458. Vrijheidsontnemende maatregel: onderzoek verweerder naar bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 5.1a, derde lid, Vb 2000. Uit het aanvullend proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee van 23 oktober 2015 blijkt niet dat de daarin vermelde vragen, die volgens de verbalisant “standaard” worden gesteld, in het onderhavige geval voorafgaand aan het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel ook aan eiser zijn gesteld. De rechtbank is inmiddels ambtshalve bekend dat de in het besluit aan eiser toegeschreven verklaring in zeer veel besluiten tot het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw op exact dezelfde wijze wordt vermeld. Op grond van louter die vermelding in het besluit kan echter niet worden vastgesteld of eiser daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld individuele omstandigheden naar voren te brengen die tot het oordeel konden leiden dat in zijn geval vrijheidsontneming onevenredig bezwarend was. Niet genoegzaam is gebleken dat verweerder eiser duidelijk heeft gemaakt dat hij bijzondere individuele omstandigheden kon aanvoeren die verweerder tot het oordeel zouden kunnen brengen dat in zijn geval van het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel moest worden afgezien en evenmin genoegzaam is gebleken dat verweerder aan eiser concrete vragen over mogelijke bijzondere feiten of omstandigheden heeft gesteld en welke concrete antwoorden eiser daarop heeft gegeven, heeft verweerder nagelaten voldoende kennis te vergaren ten aanzien van de af te wegen belangen (uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3083). Maatregel van aanvang af onrechtmatig.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken