Rb. Den Haag 2 oktober 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:11434

besluit tot opschorting van de toegangsweigering en besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw. Grensprocedure. Opschorting toegangsweigering: de opschorting van de toegangsweigering ingevolge de SGC vindt zijn grondslag in artikel 3, vierde lid, Vw. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak ANAFE gaat het om een derdelander ten aanzien waarvan is vastgesteld dat niet wordt voldaan aan de toegangsvoorwaarden van artikel 5 SGC. De SGC staat er niet aan in de weg dat een op die verordening gebaseerde toegangsweigering ingevolge een nationaalrechtelijke bepaling wordt opgeschort, terwijl tegelijkertijd geen toegang wordt verleend omdat niet is voldaan aan de in artikel 5 SGC opgenomen voorwaarden voor toegang. Indien sprake is van een asielwens moet het bepaalde in de SGC worden gelezen in samenhang met het bepaalde in de Procedurerichtlijn en de Opvangrichtlijn. Die richtlijnen voorzien in de mogelijkheid dat de aan een buitengrens van het Schengengebied ingediende asielaanvraag wordt behandeld in een grensprocedure. Uitstellen of opschorten van de toegangsweigering als bedoeld in artikel 3, vierde lid, Vw maakt het mogelijk dat de asielprocedure aan de grens wordt gevoerd, zonder dat de vreemdeling toegang wordt verleend. Dit is in lijn met het bepaalde in artikel 43, tweede lid, van de Procedurerichtlijn. Het bepaalde in artikel 3, derde en zesde lid Vw moet worden bezien tegen de achtergrond van hetgeen in de Procedurerichtlijn en de Opvangrichtlijn is neergelegd met betrekking tot de grensprocedure. Daarnaast is, gelet op het ANAFE-arrest, ook de SGC van belang. De rechtbank ziet zich genoodzaakt het nationale recht zoveel mogelijk conform de Procedurerichtlijn en de Opvangrichtlijn uit te leggen, teneinde de volle werking van deze richtlijnen te verzekeren. Na het uiten van de asielwens is de jegens eiser uitgevaardigde toegangsweigering opgeschort. De asielwens had tot gevolg dat eiser op grond van artikel 9 Procedurerichtlijn het recht verkreeg om, louter ten behoeve van de asielprocedure, in Nederland te blijven. Uit artikel 2, onder p, Procedurerichtlijn blijkt dat ‘blijven’ ook kan inhouden een recht om te blijven aan de grens of in een transitzone van die lidstaat. Vervolgens is de asielaanvraag in behandeling genomen met toepassing van de grensprocedure als bedoeld in artikel 43 Procedurerichtlijn en artikel 3, derde lid, Vw. Nu de SGC van toepassing is, moet de in artikel 3, derde lid, Vw opgenomen zinsnede “de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid,” aldus worden uitgelegd dat daarmee wordt gedoeld op de derdelander die niet voldoet aan de in de SGC opgenomen toegangsvoorwaarden en aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen. De in artikel 3, zesde lid, Vw opgenomen zinsnede “weigering van toegang in het eerste lid dan wel de herleving daarvan” moet aldus worden uitgelegd dat daarmee wordt bedoeld een toegangsweigering op grond van de SGC of de herleving van een (opgeschorte) weigering van toegang ingevolge die verordening. Dat deze uitleg ook door de wetgever is beoogd, blijkt uit de hiervoor genoemde Memorie van Antwoord. De artikelen 31, achtste lid, en artikel 43, eerste lid, Procedurerichtlijn dwingen niet tot de conclusie dat verweerder aan de aanvang van de grensprocedure een pré-toets vooraf moet laten gaan. Vrijheidsontnemende maatregel: verweerder heeft terecht het standpunt ingenomen dat het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel nodig bleek en dat andere, minder dwingende maatregelen, zonder dat het grensbewakingsbelang daarbij zou worden prijsgegeven, in gevallen als het onderhavige niet effectief kunnen worden toegepast. De stelling dat het tweede van artikel 8 Opvangrichtlijn voor wat betreft de grensbewaring niet naar behoren is geïmplementeerd omdat - zo begrijpt de rechtbank - in artikel 5.1a, derde lid, Vb niet het criterium is opgenomen dat een asielzoeker slechts in bewaring mag worden gehouden wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast, wordt daarom niet gevolgd. Hierbij wijst de rechtbank er op dat artikel 8, tweede lid, Opvangrichtlijn niet uitsluitend ziet op grensdetentie, maar ook op andere vormen van bewaring. Nu voorts is gebleken dat verweerder voorafgaand aan het nemen van de vrijheidsontnemende maatregel heeft beoordeeld of sprake was van bijzondere, individuele omstandigheden die hem noopten tot het afzien van die maatregel, is ook in zoverre aan de eisen van artikel 8, tweede lid, Opvangrichtlijn voldaan. Het beroep op artikel 8, vierde lid, Opvangrichtlijn kan niet slagen omdat die bepaling directe werking ontbeert.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken