Rb. Den Haag 28 september 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:11458

besluit tot opschorting van de toegangsweigering en besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw. Grensprocedure. Besluit opschorting toegangsweigering: uit het besluit blijkt dat toegangsweigering op grond van de SGC is opgeschort na het uiten van de asielwens. Het uiten van de asielwens had tot gevolg dat eiseres op grond van artikel 9 Procedurerichtlijn het recht verkreeg om, louter ten behoeve van de asielprocedure, in Nederland te blijven, hetgeen wordt aangemerkt als rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder f, Vw. Derhalve is er in dit geval geen sprake van een situatie waarin na het uiten van de asielwens haar de toegang is geweigerd. Het besluit had tot gevolg dat de toegangsweigering op grond van de SGC niet meer gold voor de duur van die opschorting. Uit artikel 2, onder p, Procedurerichtlijn blijkt dat ‘blijven’ ook kan inhouden een recht om te blijven aan de grens of in een transitzone van die lidstaat. De opschorting van de toegangsweigering op grond van de SGC is daarom mogelijk ondanks dat eiseres rechtmatig verblijf heeft. Geen bepaling in de SGC staat er aan in de weg staat dat een op die verordening gebaseerde toegangsweigering ingevolge een nationaalrechtelijke bepaling wordt opgeschort, terwijl tegelijkertijd geen toegang wordt verleend omdat niet is voldaan aan de in artikel 5 SGC opgenomen voorwaarden voor toegang. Uitstellen of opschorten van de toegangsweigering als bedoeld in artikel 3, vierde lid, Vw maakt het mogelijk dat de asielprocedure aan de grens wordt gevoerd, zonder dat de vreemdeling toegang wordt verleend. Dit is in lijn met het bepaalde in artikel 43, tweede lid, van de Procedurerichtlijn. Een situatie zoals in het arrest Air Baltic van het Hof van Justitie doet zich in het onderhavige geval niet voor. De opschorting van de toegangsweigering ingevolge de SGC vindt zijn grondslag in artikel 3, vierde lid, Vw. Dat in het besluit wordt verwezen naar “artikel 3, eerste lid Vw, in samenhang met artikel 3, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000” leidt niet tot een ander oordeel. De verwijzing naar het eerste lid van artikel 3 Vw in het besluit is zonder betekenis. Uit de bewoordingen van het vierde lid van artikel 3 Vw blijkt immers dat “de weigering van toegang tot Nederland” wordt uitgesteld of opgeschort als de grensprocedure wordt toegepast. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak ANAFE gaat het steeds om een derdelander ten aanzien waarvan is vastgesteld dat niet wordt voldaan aan de toegangsvoorwaarden van artikel 5 SGC. In artikel 3, derde lid Vw wordt uitsluitend bepaald aan welke gronden de asielaanvraag in de grensprocedure wordt getoetst. De artikelen 31, achtste lid, en artikel 43, eerste lid, Procedurerichtlijn en artikel 3.109b, eerste lid, Vb dwingen niet tot de conclusie dat verweerder aan de aanvang van de grensprocedure een pré-toets vooraf moet laten gaan. De handelwijze van verweerder wordt juist geacht om tijdens de behandeling van de asielaanvraag voortdurend te toetsen of de aanvraag nog steeds binnen de grensprocedure kan worden behandeld. Punt 21 van de preambule leidt niet tot een ander oordeel. Besluit vrijheidsontnemende maatregel: de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel is blijkens het besluit gebaseerd op artikel 6, derde lid, Vw. Op grond van deze bepaling is het mogelijk om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen aan de vreemdeling wiens aanvraag overeenkomstig artikel 3, derde lid, Vw wordt behandeld in de grensprocedure. Nu reeds uit de opschorting van de toegangsweigering ingevolge artikel 3, vierde lid, Vw blijkt dat de grensprocedure zal worden toegepast op eiseres, wordt voldaan aan het vereiste van artikel 6, derde lid Vw. Uit het Arslan arrest van het Hof van Justitie kan worden afgeleid dat de vrijheidsontnemende maatregel niet het gevolg mag zijn van het indienen van een asielverzoek, maar alleen van omstandigheden die verband houden met het persoonlijke gedrag van die asielzoeker vóór en tijdens de indiening van het verzoek. Voorts moet het objectief noodzakelijk en evenredig zijn om de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen en te handhaven. Eiseres voldeed ten tijde van de indiening van haar asielaanvraag niet aan de voorwaarden voor toegang in de zin van artikel 5 SGC. Het grensbewakingsbelang vergt in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel is nodig gebleken en andere, minder dwingende maatregelen konden niet effectief worden toegepast en dat verweerder voorafgaand aan het nemen van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel heeft beoordeeld of sprake was van bijzondere, individuele omstandigheden die hem noopten tot het afzien van die maatregel, zodat ook in zoverre aan de eisen van artikel 8, tweede lid, Opvangrichtlijn is voldaan. Het beroep op artikel 8, vierde lid, Opvangrichtlijn niet kan slagen omdat die bepaling directe werking ontbeert. Geen sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die de vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken