Rb. Den Haag 27 oktober 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:12390

Besluit tot uitstel van de toegangsweigering, vreemdelingenbewaring, schending zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel Artikel 94, tweede lid Vw moet, gelet op de Memorie van Toelichting, aldus worden uitgelegd dat het beroep gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel van rechtswege mede een beroep tegen het besluit tot uitstel of opschorting van een besluit omtrent de weigering van toegang tot Nederland als bedoeld in artikel 3, vierde lid, Vw omvat. Tegen laatstgenoemd besluit hoeft niet afzonderlijk beroep te worden ingesteld. De vermelding in het besluit dat eiser in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze over de vrijheidsontnemende maatregel te geven, vindt geen steun in het proces-verbaal van overgave, het proces-verbaal van bevindingen en de overige op de zaak betrekking hebbende stukken. Bovendien is de in het besluit aan eiser toegeschreven verklaring dat hij geen medische of psychische klachten heeft en dat hij geen enkele reden heeft waarom hij niet op een gesloten aanmeldcentrum kan blijven, niet als zodanig opgetekend in voornoemde processen-verbaal of anderszins in een proces-verbaal van verhoor. Daardoor kan niet worden vastgesteld of eiser in de gelegenheid is gesteld individuele omstandigheden naar voren te brengen die tot het oordeel konden leiden dat in zijn geval met toepassing van een lichter middel moest worden volstaan, en voor zover eiser in die gelegenheid is gesteld, welke vraag of vragen in dat verband aan hem zijn gesteld en welk antwoord of welke antwoorden hij daarop heeft gegeven die hebben geleid tot de aan hem toegeschreven verklaringen, zoals die zijn opgenomen in het besluit. Uit het aanvullend proces-verbaal blijkt niet dat de daarin vermelde vragen, die in het algemeen worden gesteld, voorafgaand aan het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel ook aan eiser zijn gesteld. Bovendien blijkt uit dit proces-verbaal evenmin welk antwoord of welke antwoorden eiser in zijn geval heeft gegeven. Nu niet is gebleken dat verweerder eiser duidelijk heeft gemaakt dat het aan hem was om eventuele bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen aan te voeren die tot het oordeel konden leiden dat in zijn geval met toepassing van een lichter middel moest worden volstaan, en evenmin blijkt dat verweerder zelf aan eiser concrete vragen over mogelijke bijzondere feiten of omstandigheden heeft gesteld, en voor zover verweerder die vragen heeft gesteld, welke antwoorden eiser daarop heeft gegeven, heeft verweerder nagelaten voldoende kennis te vergaren ten aanzien van de af te wegen belangen. Het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel is daarom in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en is onrechtmatig vanaf de datum van oplegging.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken