Rb. Den Haag 7 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14079

vreemdelingenbewaring, ongegrond, deugdelijke motivering besluiten Op 11 november 2015 heeft verweerder het besluit omtrent de weigering van toegang tot Nederland ingevolge artikel 13, gelezen in samenhang met artikel 5, SGC op grond van artikel 3, vierde lid, Vw uitgesteld voor ten hoogste vier weken. Bij besluit van diezelfde datum is aan eiser op grond van artikel 6, derde lid, Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Op 25 november 2015 is de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen wegens de kennelijke ongegrondheid ervan. Dit besluit geldt ingevolge artikel 3, zesde lid, Vw tevens als weigering van toegang. Voorts heeft verweerder ingevolge artikel 6, zesde lid, Vw een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, Vw opgelegd op 25 november 2015. Verweerder heeft ten aanzien van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel van 11 november 2015 in voldoende mate duidelijk gemaakt aan eiser dat het aan hem was om eventuele bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen aan te voeren die tot het oordeel konden leiden dat in zijn geval van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel moest worden afgezien. Hiermee is voldaan aan hetgeen de Afdeling in haar uitspraak van 24 september 2015 heeft overwogen naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie in het arrest Mahdi. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verweerder aan eiser zelf concrete vragen over mogelijke bijzondere feiten of omstandigheden heeft gesteld en eiser daarmee in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze over de vrijheidsontnemende maatregel te geven. Verweerder heeft daarom voldoende kennis te vergaard ten aanzien van de af te wegen belangen. Ten aanzien van de stelling van eiser dat het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw van 25 november 2015, vervat in het formulier M19, onvoldoende is gemotiveerd, stelt de rechtbank voorop dat, anders dan eiser meent, het besluit tot het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw niet is vervat in het formulier M19 van 25 november 2015, maar in het asielbesluit van 25 november 2015, onder de rubriek “Maatregel artikel 6”. De motivering van het besluit tot het opleggen van de maatregel is neergelegd in het voornemen van 22 november 2015 en in het besluit van 25 november 2015. Deze handelwijze van verweerder is niet onjuist, nu het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag in de grensprocedure en het besluit tot oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 6, zesde lid, Vw nauw met elkaar samenhangen. Neerlegging van beide besluiten en bekendmaking ervan in één stuk ligt dan voor de hand. Onder deze omstandigheden is het eveneens opgemaakte model M19 van 25 november 2015, waarnaar door eiser wordt verwezen, overbodig, zodat daaraan geen zelfstandige betekenis toekomt. De rechtbank ziet ambtshalve aanleiding op te merken dat de rechtsmiddelclausule in het besluit van 25 november 2015 onvolledig is, nu deze niet vermeldt dat tegen het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel (apart) beroep kan worden ingesteld ingevolge artikel 94 Vw. Eiser is door deze omissie niet in zijn belangen geschaad, nu hij reeds tegen het besluit tot oplegging van de maatregel van artikel 6, derde lid, Vw van 11 november 2015 beroep heeft ingesteld en het besluit van 25 november 2015 tot oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 6, zesde lid, Vw dateert van vóór de sluiting van het onderzoek ter zitting (30 november 2015), zodat het in de onderhavige procedure ter beoordeling voorligt. Verweerder kan op grond van artikel 6, zesde lid, Vw een maatregel, bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 6, opleggen aan de vreemdeling wiens aanvraag als bedoeld in artikel 28 in de grensprocedure is afgewezen indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert. In het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag van 25 november 2015 heeft verweerder gemotiveerd onder het kopje ‘Maatregel artikel 6,’ met verwijzing naar hetgeen is gemotiveerd in het voornemen van 22 november 2015, dat sprake is van een risico op onttrekken aan het toezicht. Ingevolge artikel 5.1b, eerste lid, Vb wordt voldaan aan de voorwaarde voor het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, bedoeld in artikel 5.1a, vierde lid, Vb indien sprake is van ten minste twee gronden zoals bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, Vb. De afwijzing van de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond vormt op grond van artikel 5.1b, derde lid, aanhef en onder j, Vb een zware grond voor inbewaringstelling. Daarnaast is eiser tegengeworpen dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en hij voorts niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, hetgeen twee lichte gronden vormen voor inbewaringstelling onder artikel 5.1b, vierde lid, aanhef en onder c en d, Vb. De feitelijke juistheid van deze drie gronden is door eiser ter zitting niet betwist en de gronden vormen voldoende reden om de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw op te leggen. Derhalve is het besluit van 25 november 2015 naar het oordeel van de rechtbank voldoende deugdelijk gemotiveerd. Het beroep is ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken