Rb. Den Haag 5 juni 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:7404

Aanvraag kinderpardon afgewezen, vanwege overschrijden leeftijdsgrens, het niet hebben ingediend van een asielaanvraag en vanwege onttrekking aan het toezicht van de Rijksoverheid langer dan drie maanden. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat voor het stellen van een leeftijdsgrens van maximaal 21 jaar op de peildatum, zoals bedoeld in de overgangsregeling, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat, zodat geen sprake is van strijd met artikel 14 van het EVRM. Het betoog dat het onderscheid tussen kinderen ten behoeve van wie wel een asielaanvraag is ingediend en kinderen ten behoeve van wie geen enkele aanvraag is ingediend, ongerechtvaardigd is, faalt eveneens. Daarbij heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zich gedurende zijn verblijf in Nederland langer dan drie maanden aan het toezicht heeft onttrokken. Onder de instanties waarbij de vreemdeling bekend moet zijn geweest, vallen niet instellingen zoals scholen. De stelling dat eiser toch onder de regeling valt, omdat de ratio van de Kinderpardonregeling is terug te voeren op worteling in Nederland, slaagt niet. Worteling is, blijkens de wetshistorie, niet het onderscheidend criterium op grond waarvan deze kinderen in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning. Verweerder mag ervoor kiezen om pas na een daartoe strekkende aanvraag te bezien of aanleiding bestaat om artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 toe te passen. De beroepen op artikel 4:84 van de Awb en artikel 8 van het EVRM falen eveneens.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken