Rb. Den Haag 29 januari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:3708

Gelet op de nauwe samenhang tussen het intrekkingsbesluit en de vrijheidsontnemende maatregel noopt artikel 6 van het Handvest ertoe artikel 7:1 lid 1 Awb buiten toepassing te laten en het beroep tegen het intrekkingsbesluit ontvankelijk te achten. Verweerder heeft niet onderzocht of eiser als familielid van een Turkse werknemer verblijfsrecht ontleent aan Besluit 1/80. Uit artikel 59 van het Aanvullend Protocol volgt dat Turkse staatsburgers niet gunstiger mogen worden behandeld dan Unieburgers. Nu het verblijfsrecht van eiser vóór de aanscherping van artikel 3.86 Vb 2000 op 1 juli 2012 niet kon worden beëindigd, noopt de standstillbepaling ertoe dat voor eiser in ieder geval dezelfde waarborgen dienen te gelden tegen verwijdering van het grondgebied die gelden voor Unieburgers. In dit verband ligt tevens de vraag voor of artikel 8.22 lid 3 sub a Vb 2000, waarin is bepaald dat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling (Unieburger) die in de voorafgaande tien jaar in Nederland heeft gewoond niet wordt beëindigd tenzij dwingende redenen van openbare veiligheid daartoe nopen, in de weg staat aan de intrekking van eisers verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom hij van zijn intrekkingsbevoegdheid op grond van artikel 22 lid 1 sub c Vw 2000 gebruik heeft gemaakt, terwijl in een aanvraagsituatie gelet op artikel 21a lid 2 Vw 2000 eisers aanvraag zou moeten worden gehonoreerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken