Rb. Den Haag 16 september 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:11522

De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat gemeenten niet vallen onder de in de Regeling aangehaalde toezichthoudende instanties en ook niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. Uit de Regeling, de bestreden besluiten en de door verweerder aangehaalde Kamerstukken, blijkt voldoende duidelijk dat de onder c. opgenomen voorwaarde ertoe strekt enkel vreemdelingen die in voornoemde periode bekend zijn geweest bij de vreemdelingrechtelijke keten onder de Regeling te brengen en dat daarom (enkel) de in de voorwaarde genoemde instanties zijn opgenomen. Deze instanties zijn immers belast met het vreemdelingrechtelijk toezicht. Eisers stelling dat zij in beeld waren bij de Rijksoverheid, omdat zij in beeld waren bij de gemeente Eindhoven, maakt niet dat eisers daarmee in beeld waren bij de in de Regeling genoemde instanties die belast zijn met het vreemdelingentoezicht. Uit de overgelegde brief van de wethouder Jeugd, Welzijn en Zorg, noch anderszins, blijkt immers dat één van de genoemde instanties bekend was met eisers (niet in de gemeentelijke basisadministratie geregistreerde) verblijf in Eindhoven. Ook de omstandigheid dat eiser 1 en eiser 3 naar school gaan en daarmee zijn geregistreerd in BRON dat door DUO wordt beheerd, maakt niet dat eisers in beeld waren bij die instanties. Niet is gebleken dat deze registratie is gekoppeld aan de systemen van genoemde toezichthoudende instanties. Nu eisers sinds 27 juli 2010 niet bekend waren bij de instanties die belast zijn met het vreemdelingentoezicht en langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden uit beeld zijn geweest, heeft verweerder in de bestreden besluiten deugdelijk gemotiveerd dat eisers niet voldoen aan voorwaarde c. van de Regeling. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de in de Regeling neergelegde voorwaarde c. niet in strijd is met artikel 14 EVRM. Evenmin is die voorwaarde in strijd met artikel 2, tweede lid, IVRK - voor zover aan deze bepaling al rechtstreekse werking toekomt - noch met artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Voor zover eisers betogen dat de voorwaarde in de Regeling, dat de vreemdeling sinds 27 juli 2010 bij de Rijksoverheid bekend is, kennelijk onredelijk is, nu het bekend zijn ten onrechte is gekoppeld aan de vraag of de vreemdeling op of vanaf die datum in een opvanglocatie verbleef, overweegt de rechtbank dat dit onverlet laat dat het voor eisers mogelijk was om op een andere wijze dan via opvang in beeld te zijn en blijven bij de Rijksoverheid, door zich te wenden tot één van de andere instanties die belast zijn met het vreemdelingentoezicht, zoals de IND, DT&V of de Vreemdelingenpolitie. Het beroep op artikel 4:84 Awb faalt eveneens, nu de aangevoerde omstandigheden zijn betrokken bij de totstandkoming van de Regeling. Verweerder heeft daarnaast niet ten onrechte de belangenafweging in het kader van art. 8 EVRM ten nadele van eisers laten uitvallen. Een beroep op toepassing van de discretionaire bevoegdheid, neergelegd in artikel 3.4, derde lid, Vb, valt buiten de beoordeling van deze procedure. Eisers kunneneen daartoe strekkende aanvraag indienen. Beroepen ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken