Rb. Den Haag 19 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:14104

De rechtbank overweegt dat verweerder door het niet-meewerken aan vertrek door de ouders als contra-indicatie aan eiser 1 tegen te werpen, niet in strijd heeft gehandeld met de Toelichting op WBV 2013/1 en het daarin omschreven doel van de Regeling. Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een verboden discriminatie bij het maken van onderscheid tussen vreemdelingen wiens ouders wel en wiens ouders niet meewerken aan vertrek. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 16 september 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:11522). Beoordeeld moet worden of voor het verschil in behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig is. Nu bij het niet meewerken aan het vertrek door de ouders sprake is van een keuze-element en de kinderpardonregeling begunstigend beleid inhoudt, heeft verweerder kunnen oordelen dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid aanwezig zijn in verband met het risico dat ouders de positie van hun kinderen misbruiken om een verblijfsrecht te verkrijgen. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat sprake is van een situatie waarbij het verblijfsrecht van de ouders afhankelijk is van eiser 1, kan de keuze van de ouders om niet mee te werken aan vertrek aan eiser 1 worden toegerekend. Dit algemene principe volgt uit het reeds genoemde arrest Butt tegen Noorwegen (zie ook r.o. 5.2 van de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3867). De rechtbank kan eisers niet volgen in het standpunt dat uit artikel 2, tweede lid, IVRK zou voortvloeien dat het gedrag van de ouders niet aan eiser 1 zou kunnen worden toegerekend. Indien er al vanuit moet worden gegaan dat aan artikel 2, tweede lid, IVRK rechtstreekse werking toekomt, valt voorts niet in te zien dat het principe dat een onderscheid tussen (categorieën van) personen mag worden gemaakt mits daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig is, niet ook van toepassing is op artikel 2, tweede lid, IVRK. Zoals hiervoor is overwogen, heeft verweerder zwaarwegende gronden van migratiebeleid als objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond kunnen aanmerken voor het gemaakte onderscheid tussen ouders die wel meewerken en ouders die niet meewerken. De rechtbank ziet ten slotte geen grond voor het oordeel dat het tegenwerpen van de in geding zijnde contra-indicatie voor eiser 1 gevolgen heeft die als disproportioneel moeten worden aangemerkt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken