Rb. Den Haag 16 januari 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BY8843

inreisverbod, (opvolgende asielaanvraag), rechtmatig verblijf, artikel 3 EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank spelen asielgerelateerde beletselen om terug te keren naar het land van herkomst geen rol bij het uitvaardigen van een inreisverbod. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling, dient een vreemdeling, indien hij de bescherming van de Nederlandse autoriteiten wenst in te roepen tegen een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 in te dienen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 oktober 2010, LJN: BK0481). Een inreisverbod staat, gezien het bepaalde in artikel 11, vijfde lid, van Richtlijn 2008/115 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (Terugkeerrichtlijn), niet in de weg aan het indienen van een (opvolgende) asielaanvraag. Weliswaar bepaalt artikel 66a, zesde en zevende lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, kort gezegd en voor zover hier van belang, dat een vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt geen rechtmatig verblijf kan hebben (in geval de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde). Maar deze bepaling dient buiten toepassing te worden gelaten wegens strijd met artikel 7 van Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van de Europese Unie van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (Procedurerichtlijn), indien de vreemdeling in afwachting is van de formele indiening van een asielaanvraag of een zodanige aanvraag heeft ingediend waarop nog niet is beslist en die aldus binnen de reikwijdte van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 valt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2012, LJN: BX0050, r.o. 2.8.2). Voorts is van belang dat, zoals verweerder ook heeft uiteengezet in de brief van 8 november 2012 ter beantwoording van door deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, in de zaken AWB 11/16296 en 11/13469 gestelde vragen, verweerder bij een verzoek om internationale bescherming overgaat tot inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag, ongeacht de toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000, hetgeen bij verblijfsaanspraken leidt tot (ambtshalve) opheffing van het inreisverbod. De rechtbank zal dan ook, in tegenstelling tot hetgeen is geoordeeld in de uitspraak van deze rechtbank van 21 augustus 2012 (LJN: BX6375), in het vervolg wel procesbelang aannemen in de situatie dat de vreemdeling, aan wie een inreisverbod is opgelegd, beroep instelt tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen