Rb. Breda 22 februari 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BW4408
Relevate wetsartikelen: 2:334r BW; 6:258 BW; 7:307 BW Een vennootschap exploiteert warenhuizen en winkelketens met detailhandel van uiteenlopende aard in door haar gehuurde panden. De huurovereenkomst is huurdersvriendelijk. Door splitsing van de hurende vennootschap wordt verhuurster geconfronteerd met een nieuwe vennootschap als huurster die enkel een warenhuis exploiteert. Verhuurster verzoekt op de voet van artikel 2:334r BW respectievelijk 6:258 BW de huurovereenkomst te ontbinden althans te wijzigen, zodanig dat door de huurster na splitsing aanvullende zekerheden voor de nakoming van de huurovereenkomst worden verschaft. Volgens Huurster dient het verzoek te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf van artikel 7:307 BW (indeplaatsstelling). De kantonrechter is van oordeel dat er aanleiding tot wijziging of ontbinding van de huurovereenkomst ex artikel 2:334r BW is indien ten gevolge van de splitsing de huurovereenkomst naar maastaven van redelijkheid en billijkheid niet ongewijzigd in stand behoort te blijven. Het belang van verhuurster bij wijziging of ontbinding van de huurovereenkomst wordt verder begrensd door de inhoud van de huuurovereenkomst die reeds bestond toen verhuuurster eigenaresse werd van het pand waarin het warenhuis werd geexploiteerd. Economische belangen, zoals daling van de marktwaarde het pand door de splitsing, behoren daartoe niet.
De uitspraak op rechtspraak.nl