Rb. Breda 9 juni 2008, ECLI:NL:RBBRE:2008:BD5991

Belanghebbende en haar zuster zijn de enige erfgenamen van hun overleden tante. Tot de nalatenschap behoren aandelen in een B.V., ter zake waarvan de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten van de Successiewet worden toegepast. Tot de bezittingen van de B.V. behoort een vordering op een van haar deelnemingen. De B.V. houdt alle preferente aandelen in die deelneming, die 90% van het geplaatste aandelenkapitaal vertegenwoordigen. De inspecteur heeft de vordering aangemerkt als beleggingsvermogen, met als gevolg dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit op dat deel niet van toepassing is. Verder is in geschil of de drempel van artikel 7a, eerste lid, Uitvoeringsregeling Successiewet moet worden berekend over 15% van de waarde van de aandelen van de B.V. (inspecteur) of over 15% van de activa van de B.V. (belanghebbende). De rechtbank oordeelt als volgt. De vordering is deels ontstaan door de overdracht door de B.V. van aandelen en verhuurde panden aan de deelneming, die voor de B.V. beleggingsvermogen vormden. De verkoop van de panden en de aandelen en de omzetting van de koopsom in een vordering hebben ertoe geleid dat het ene beleggingsactief is vervangen door een ander beleggingsactief. Eerst als het in de vordering belegde vermogen wordt aangewend ten behoeve van de ondernemingsactiviteiten is sprake van een verandering van het karakter van het activum. Aangezien van een dergelijke aanwending op de sterfdatum van erflaatster geen sprake was, moet de vordering als beleggingsvermogen worden aangemerkt. Verder oordeelt de rechtbank dat de drempel moet worden berekend over de waarde van de aandelen. De aanslag wordt wel verlaagd omdat een belastingschuld wordt toegerekend aan het beleggingsvermogen, dat daardoor lager wordt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen