Hof 's-Hertogenbosch 20 november 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BL7433

Belanghebbende en haar zus zijn de enige erfgenamen van hun overleden tante. Tot de nalatenschap behoren alle aandelen in B bv ter zake waarvan de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten van de SW 1956 zijn toegepast. In 2001 draagt B bv haar verhuurde panden over C bv, waarvan B bv alle preferente aandelen hield. C bv is de koopprijs schuldig gebleven. In hoger beroep is in geschil of de vordering van B bv op C bv voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteit kwalificerend ondernemingsvermogen vormt. Volgens de rechtbank was sprake van beleggingsvermogen nu de verhuurde panden alsmede de deelneming in C bv voor B bv eveneens beleggingsvermogen vormden. De verkoop van de panden aan C bv en de omzetting van de koopsom in een vordering hebben er slechts toe geleid dat het ene beleggingsactief is vervangen door een ander beleggingsactief. In een uitgebreide uitspraak komt het hof tot dezelfde conclusie als de rechtbank: belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vordering ten sterfdage ondernemingsvermogen vormde. Voorts oordeelt het hof in navolging van de rechtbank dat bij de toepassing van de marge van 15% van art. 7a, lid 1, Uitv.reg. SW 1956 uitgegaan dient te worden van de waarde van de aandelen en niet, zoals belanghebbende voorstaat, van de waarde van de bezittingen van B bv.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen