Rb. Amsterdam 11 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1014

Beklag art. 98 jo. 552a Sv. Verschoningsrecht en ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ bij doorbreking van het verschoningsrecht van een advocaat (verdachte) en zijn kantoorgenoot (tevens advocaat, niet-verdachte). Er is sprake van een redelijke verdenking van een buitengewoon ernstig strafbaar feit jegens een advocaat. De gegevens waarop het verschoningsrecht van toepassing is, zijn essentieel voor het onderzoek naar de verdenking jegens deze advocaat en kunnen niet op andere wijze worden verkregen. Hierbij is bovendien van belang dat de inhoud van de gegevens weliswaar binnen het domein van het verschoningsrecht vallen (en als zodanig worden getoetst), maar niet de kern ervan raken. Ten aanzien van de kantoorgenoot geldt verder dat zijn rol en inbreng en daarmee de inbreuk op zijn verschoningsrecht, beperkt is. Weliswaar is de verdenking gericht tegen een advocaat als verdachte, maar gelet op de aard en inhoud van de gesprekken is de rechtbank van oordeel dat ook ten aanzien van de niet-verdachte advocaat (ook kijkend naar zijn summiere inbreng in de gesprekken) een doorbreking van zijn verschoningsrecht (als niet-verdachte verschoningsgerechtigde) gerechtvaardigd is. De rechtbank is al met al van oordeel dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor het maatschappelijk belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren boven het maatschappelijk belang van het verschoningsrecht van de (verdachte) advocaat en de (niet-verdachte) advocaat.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken