Rb. Amsterdam 7 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5795
Pools EAB ten behoeve van vervolging. Tussenuitspraak in verband met het voornemen om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). De opgeëiste persoon wordt in Polen onder meer verdacht van het niet betalen van kinderalimentatie. Hij voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 6, derde lid, OLW met uitzondering van de voorwaarde dat hij in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB. Ingevolge artikel 6, eerste lid, OLW kan de overlevering van Nederlanders ten behoeve van strafvervolging afhankelijk worden gemaakt van een terugkeergarantie. Daarbij geldt niet de voorwaarde dat de Nederlandse opgeëiste persoon voor het strafbare feit dat aan het vervolgings-EAB ten grondslag ligt ook in Nederland kan worden vervolgd. De vraag rijst of het mogelijke onderscheid tussen de rechtspositie van Nederlanders en vreemdelingen als bedoeld in artikel 6, derde lid, OLW in strijd is met het in artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie neergelegde verbod op discriminatie op grond van nationaliteit. De rechtbank is voornemens deze vraag voor te leggen aan het HvJ EU. De rechtbank ziet zich verder voor de vraag gesteld hoe, tegen de achtergrond van artikel 25 Kaderbesluit 2008/909/JBZ, de dwingende weigeringsgrond van artikel 2:13, eerste lid onder f, WETS zich verhoudt tot artikel 7, derde lid, Kaderbesluit 2008/909/JBZ en tot artikel 4, punt 1, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, waarin het ontbreken van dubbele strafbaarheid van niet-lijstfeiten als facultatieve weigeringsgrond is opgenomen. De rechtbank is voornemens hier een vraag over te stellen aan het HvJ EU. De verwachting is dat, als de rechtbank bij een nadere tussenuitspraak prejudiciële vragen gaat stellen aan het HvJ EU, die uitspraak zal worden gedaan na het verstrijken van de 90-dagentermijn. Omdat op dit moment de in artikel 22, vierde lid, OLW bedoelde omstandigheid zich nog niet voordoet, lijkt de beslistermijn op grond van die bepaling nog niet te kunnen worden verlengd. Naar de letter lijkt artikel 22 OLW eraan in de weg te staan dat de rechtbank, na het verstrijken van de voornoemde 90-dagentermijn, vragen aan het HvJ EU stelt. De rechtbank is voornemens ook hierover een vraag te stellen aan het HvJ EU.
De uitspraak op rechtspraak.nl