Rb. Amsterdam 30 november 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:7841

De Stichting procedeert primair op grond van artikel 3:305a BW. Trafigura heeft haar stelling dat de Stichting niet voldoet aan de aan haar op grond van artikel 3:305a lid 2, laatste volzin, BW te stellen eisen nauwkeurig en extensief met feiten gestaafd. Hetgeen de Stichting daartegenover heeft gesteld is zeer summier en, zoals uit het vonnis blijkt, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de overvloed aan overtuigende argumenten van Trafigura te weerleggen. Bovendien heeft de Stichting niet de door Trafigura gewekte indruk kunnen wegnemen dat zij haar administratie niet op orde heeft en dat zij onvoldoende kennis en vaardigheden heeft om haar statutaire doel te bereiken, althans om haar raadsman adequaat te instrueren en van de benodigde documentatie te voorzien. De Stichting wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar primaire vorderingen omdat met de rechtsvorderingen van de Stichting de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvorderingen zijn ingesteld onvoldoende gewaarborgd zijn. De Stichting stelt subsidiair op grond van volmachten en/of lastgevingen, althans op grond van zaakwaarneming in rechte op te treden. Nu deze vorderingen van de Stichting, in het licht van haar primaire vorderingen die op dezelfde feiten en op dezelfde juridische grondslag zijn gebaseerd, in wezen neerkomen op een verkapte collectieve actie en de Stichting daarin niet-ontvankelijk wordt verklaard, kan de Stichting evenmin worden ontvangen in haar subsidiaire vorderingen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen