Rb. Amsterdam 27 juli 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4466
Mededingingsrecht. Vrachtwagenkartel. Ontvankelijkheid Claimvehikels die procederen op basis van aan hen gecedeerde schadevergoedingsvorderingen. De eisen die artikel 3:305a BW stelt aan een collectieve actie zijn niet van toepassing. Toepasselijk recht. De gecedeerde vorderingen zijn vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad. De rechtbank oordeelt ook over het toepasselijke recht op de vorderingen van de Claimanten. Bundeling van vorderingen zoals in dit geval aan de orde is, heeft tot gevolg dat een veelheid aan rechtsstelsels van toepassing zou zijn. Daarmee schiet het conflictenrecht zijn doel voorbij. De rechtbank staat voor de vraag welk criterium zij dient toe te passen. De rechtbank komt uit bij artikel 6 lid 3 sub b Rome II. De Commissie heeft in het Besluit vastgesteld dat “the infringement covered the entire EEA”, zodat moet worden aangenomen dat door de Inbreuk de concurrentieverhoudingen zijn beïnvloed in meer dan één land. DAF Trucks, CNH Industrial en Stellantis zijn als verweerders gedaagd voor het gerecht van hun woonplaats. Claimanten doen een rechtskeuze voor Nederlands recht, de lex fori. Dat de concurrentieverhoudingen in Nederland rechtstreeks en aanzienlijk zijn beïnvloed door de beperking van de mededinging is op basis van het Besluit voldoende aannemelijk. Ook voor de andere Truckfabrikanten was de toepasselijkheid van het Nederlands recht voorzienbaar. Voor de vorderingen waarvoor de WCOD het toetsingskader vormt is de rechtbank met het hof in de Aircargo-zaak van oordeel dat met inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel het op de voet van artikel 4 WCOD toepasselijke recht op vorderingen dient te worden vastgesteld op een wijze die overeenkomt met artikel 6 lid 3 sub b Rome II. De conclusie is dat voor alle vorderingen van de Claimanten geldt dat Nederlands recht van toepassing is. De rechtbank gaat ook uitgebreid in op de rechtsgeldigheid van de cessies. Op de verhouding tussen de Claimvehikels en de Achterliggende partijen (de cedenten) is op grond van artikel 14 lid 1 Rome I Nederlands recht van toepassing (cessiestatuut). Ook op de verhouding tussen de Claimvehikels en de Achterliggende partijen enerzijds en de Truckfabrikanten anderzijds is Nederlands recht van toepassing (vorderingsstatuut). De vervolgvraag of de vorderingen uit onrechtmatige daad ook daadwerkelijk zijn overgedragen, moet naar het recht van het cessiestatuut moet worden beoordeeld. Dat is Nederlands recht. Stelplicht Claimanten met betrekking tot de gecedeerde vorderingen gaat niet verder dan dat de Truckfabrikanten als debitor cessus (en de rechtbank) op basis van de cessiedocumentatie moeten kunnen vaststellen dat de cedent en cessionaris daadwerkelijk hun vordering(en) hebben overgedragen. De rechtbank is van oordeel dat wanneer de in het geding gebrachte documentatie per Achterliggende partij bevat: (i) de cessieovereenkomst (titel) en (ii) de akte van cessie en (iii) duidelijk is dat die zijn getekend/verstrekt door de cedent, daarmee in voldoende mate vaststaat dat de Claimvehikels rechthebbende op de vorderingen zijn, tenzij er concrete aanwijzingen zijn, aan te dragen door de Truckfabrikanten, dat desondanks geen rechtsgeldige cessie heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot het verweer van de Truckfabrikanten dat zij niet in staat zijn geweest om de cessies op rechtsgeldigheid te controleren, oordeelt de rechtbank dat van de Truckfabrikanten mag worden verwacht dat zij, voor zover zij menen dat documentatie van specifieke cessies ontbreekt, dit specificeren. Dat hebben zij niet gedaan. De rechtbank moet het er daarom voor houden dat de documentatie compleet is. Vervolgens is het aan de Truckfabrikanten om gericht verweer te voeren en gemotiveerd te betwisten dat cessies rechtsgeldig hebben plaatsgevonden, bijvoorbeeld doordat de cedent niet rechtsgeldig is vertegenwoordigd, de cessie niet heeft gewild of dat de cessie om een andere reden geen rechtsgevolg heeft gehad. Ook dat hebben zij niet gedaan. Met betrekking tot het bepaalbaarheidsvereiste oordeelt de rechtbank dat van een schuldenaar die stelt dat een cessie niet rechtsgeldig is omdat de titel de vordering met onvoldoende bepaaldheid omschrijft, mag worden verwacht dat dit verweer geconcretiseerd wordt. Daaraan voldoet het verweer van de Truckfabrikanten niet. Gesteld noch gebleken is om welke cessies het concreet gaat en in hoeverre de vorderingen in die gevallen tekortschieten op het onderdeel van de bepaalbaarheid.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Amsterdam 22 september 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5297
- Hof 's-Hertogenbosch 27 juli 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2341
- Hof Amsterdam 6 juli 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1940
- Rb. Amsterdam 12 mei 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2391
- Rb. Amsterdam 19 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1058
- Hof Amsterdam 4 februari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:194
- Hof Den Haag 8 oktober 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3289
- HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:412
- Rb. Amsterdam 18 april 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2476
- Rb. Amsterdam 31 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:504
- Rb. Den Haag 13 december 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:14512
- Rb. Amsterdam 10 mei 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:3166
- Rb. Amsterdam 30 november 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:7841
- HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483
- Rb. Den Haag 17 december 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:15722
- HR 9 februari 1939, ECLI:NL:HR:1939:32
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2001:465