Rb. Amsterdam 21 juli 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:6214
Uitspraak op de vordering ex artikel 18 van de WOTS. Onderhavige WOTS zaak is bijzonder ivm de veranderde regelgeving en de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 10 juli 2014. De opgeëiste persoon werd door de rechtbank aan Duitsland overgeleverd onder de kwalificatie medeplegen overtreding Geneesmiddelenwet. Daarna volgde de uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 10 juli 2014 en een daaropvolgende uitspraak van de Rechtbank Haarlem van april 2015, op grond waarvan synthetische cannabinoiden waarvan hier sprake is niet (langer) onder de Geneesmiddelenwet kunnen worden geschaard. Met ingang van 1 juli 2015 is de Opiumwet gewijzigd waardoor de zaak van de opgeëiste persoon opeens kantelde en onder lijst 1 van de Opiumwet viel voor wat betreft het middel MDPV. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de bewezenverklaarde gedragingen in het kader van de overige stoffen, synthetische cannabinoiden, strafbaar zijn naar Nederlands recht, nu in het licht van het Europese Hof van Justitie op 10 juli 2014 deze stoffen niet onder de definitie van een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1 sub b van de Geneesmiddelenwet vallen, aangezien deze wet conform genoemde richtlijn dient te worden uitgelegd.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 57 Sr
- Artikel 174 Sr
- Artikel 2 Opw
- Artikel 10 Opw
- Artikel 3 WOTS
- Artikel 18 WOTS
- Artikel 1 Gnw
- Artikel 2 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen
- Artikel 3 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen
- Artikel 6 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen
- Artikel 11 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen