HR 20 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1852
Uitlevering. De klacht dat de Rb ten onrechte heeft geoordeeld dat is voldaan aan de eis van dubbele strafbaarheid, nu de uitlevering is verzocht t.z.v. witwassen in de periode 2000 tot sept. 20002, terwijl op dat moment witwassen in NL nog niet strafbaar was gesteld, miskent dat de rechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering moet uitgaan van de stand van het recht t.t.v. de beslissing op het uitleveringsverzoek (HR LJN AH8601). De mogelijke uitkomst van de exequaturprocedure (na veroordeling van de opgeëiste persoon en overbrenging naar NL) regardeert de toelaatbaarheid van de uitlevering niet, zodat het de uitleveringsrechter niet vrijstaat de te verwachten afloop daarvan bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering te betrekken (HR LJN AF1909). De HR merkt nog op dat de opvatting dat de exequaturrechter – na overdracht van gevonniste personen aan NL – het vereiste van dubbele strafbaarheid dient te beoordelen naar het moment waarop die feiten zijn gepleegd, onjuist is. De strekking van dat vereiste is te voorkomen dat NL medewerking zou moeten verlenen aan het handhaven van normen die met de eigen rechtsopvattingen in strijd zijn, of waarbij althans een strafsanctie misplaatst wordt geacht, zodat beslissend is of die feiten naar NL recht strafbaar zijn t.t.v. de beslissing van de daartoe o.g.v. de WOTS aangewezen rechter op de vordering tul. Het verlenen door die rechter van een verlof tot tul kan niet worden aangemerkt als “berechting en bestraffing” van die feiten, zodat i.g.v. een dergelijk verlof t.a.v. feiten die op het tijdstip waarop zij zijn gepleegd naar NL recht nog niet strafbaar waren gesteld, van schending van het legaliteitsbeginsel geen sprake kan zijn (HR LJN AF1909).
De uitspraak op rechtspraak.nl