Rb. Rotterdam 18 augustus 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:6948

intrekking horecavergunning, afwijzing aanvraag aanwezigheidsvergunning en intrekking exploitatievergunning wegens twee antecedenten. De rechtbank volgt niet de stelling van verweerder dat een strafbeschikking, conform de bedoeling van de wetgever, met een onherroepelijke veroordeling bij rechterlijke uitspraak op één lijn kan worden gesteld. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de omstandigheid dat de wetgever voor het strafrecht in artikel 78b van het Wetboek van Strafrecht heeft bepaald dat de strafbeschikking moet worden gelijkgesteld met een veroordeling, op zichzelf niet betekent dat die gelijkstelling ook in het bestuursrecht geldt. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de in genoemde artikelen 4 opgesomde antecedenten, indien daarvan sprake is, de grondslag vormen voor een imperatief besluit met een voor betrokkene belastend karakter, zoals in dit geval de intrekking van de DHW-vergunning en het niet (opnieuw) verlenen van een aanwezigheidsvergunning. Dit brengt, mede gelet op het belang van de rechtszekerheid, mee dat de betreffende bepalingen voldoende helder, concreet en duidelijk moeten omschrijven wat daarvan het toepassingsbereik is. Voor een extensieve interpretatie bestaat geen ruimte. Verweerder was in ieder geval bekend met de overtredingen die tot de transactie en de strafbeschikking hebben geleid en eiser heeft aan de zinsnede in de brief bij de besluiten van 28 augustus 2012 het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat verweerder de dan bekende overtredingen niet (meer) zou betrekken bij nieuwe, toekomstige, besluitvorming, tenzij nieuwe overtredingen zouden worden begaan. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 1:6, aanhef en onder b, van de APV, omdat de toepassingsvoorwaarde van deze bepaling zich niet voordeed, en het vertrouwensbeginsel, en dient ook om die reden te worden vernietigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen