Rb. Amsterdam 14 juni 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX4403

Last onder dwangsom wegens bewoning in strijd met art. 5 Huisvestingswet. In geschil is of verweerder bevoegd was aan eisers een last onder dwangsom op te leggen. Daarbij is van belang de vraag op grond van welke methode de huurprijs voor eisers woning dient te worden berekend, om te bepalen of de woning een woonruimte is in de zin van art. 5 Huisvestingswet in samenhang met art. 2.1.1, onder a, van de Verordening. Slechts indien dit het geval is geldt ingevolge art. 2.7.2, lid 2 van de Verordening onder meer de verplichting een huishouden voor te dragen na het vrijkomen van de woonruimte. De woning maakt onderdeel uit van een monumentaal pand als bedoeld in de Monumentenwet 1988. Partijen zijn het echter oneens over de vraag of de huurprijs die de Huurcommissie voor deze woning heeft berekend redelijk is. De Huurcommissie heeft de maximaal redelijke huurprijs berekend aan de hand van het bepaalde in art. 5 van de Bhw. In dit artikel is bepaald dat waardering van de kwaliteit van zelfstandige woonruimte plaatsvindt overeenkomstig het in bijlage I, onder A, van dit besluit vervatte waarderingsstelsel en de daarbij gegeven toelichting. In deze bijlage zijn normen gegeven aan de hand waarvan de kwaliteit van de woonruimte moet worden bepaald, uit te drukken in punten. Daarbij heeft zij 30% monumententoeslag opgeteld, volgens de Utrechtse methode. De Rb. overweegt dat de Amsterdamse methode op art. 8a van het Bhw en de toelichting is gebaseerd. De methode is ontwikkeld door de Huurcommissie van Amsterdam, waarbij als uitgangspunt is genomen de op inflatie gecorrigeerde aankoop- en netto-instandhoudingskosten, waarbij ter bepaling van een redelijke opbrengst is uitgegaan van het gemiddelde dynamische kostprijs percentage. Verweerder heeft verwezen naar een brief van de Minister van Wonen, Wijken en Integratie van 19 februari 2010 gericht aan de Tweede Kamer. In deze brief heeft de Minister gesteld dat hij heeft besloten de toeslag op de normale maximale huurprijs voor woningen die een rijksmonument zijn, te bepalen op 30% en dat het Bhw daarop zal worden aangepast. Hieruit blijkt, aldus verweerder, dat in Nederland uitsluitend de Utrechtse methode dient te worden toegepast. De Rb. is echter van oordeel dat, indien dit al het geval zou zijn, hiertoe eerst het Bhw dient te worden gewijzigd. Nu de Minister dit nog niet heeft gedaan is de Rb. van oordeel dat een berekening van de huurprijs op grond van de Utrechtse methode strijd oplevert met het bepaalde in art. 8a van het Bhw. Gelet op de uitkomsten van het door de deskundige verrichte onderzoek komt de Rb. tot het oordeel dat de woning van eisers niet vergunningsplichtig is als bedoeld in art. 5 van de Huisvestingswet. Derhalve luidt de slotsom dat verweerder niet bevoegd was om wegens een met art. 2.7.1, lid 2 van de Verordening strijdige situatie handhavend op te treden. Gegrond beroep.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen