Conclusie A-G Sinnige 2 juni 2026, ECLI:NL:PHR:2026:554

Conclusie AG. OM-cassatie. Verandering van wetgeving ten gunste van de verdachte als gevolg van inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven? Middel komt op tegen beslissing tot n-o verklaring van de officier van justitie in de strafvervolging wegens verjaring, op de grond dat de tenlastegelegde feitelijke aanranding van de eerbaarheid door onverhoeds handelen (art. 246 (oud) Sr), gepleegd in 2004, sinds de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven valt onder opzetaanranding a.b.i. art. 241 lid 1 Sr en daarmee sindsdien door een lager strafmaximum wordt bedreigd. Is sprake van gewijzigd inzicht van wetgever omtrent strafwaardigheid van onverhoeds handelen i.d.z.v. art. 1 lid 2 Sr, op grond waarvan de voor de verdachte gunstigere strafbepaling moet worden toegepast? AG concludeert op basis van wetsgeschiedenis bij de Wet seksuele misdrijven dat het oordeel van het hof dat (enkel) onverhoeds seksueel handelen niet langer dwang kan opleveren onjuist is en dat het tenlastegelegde ook onder de strafbaarstelling van gekwalificeerde opzetaanranding a.b.i. art. 241 lid 2 Sr kan worden gebracht. Het oordeel van het hof dat het tenlastegelegde feit gelet op de strafdreiging van art. 241 lid 1 Sr is verjaard, kan niet in stand blijven. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken