HR 2 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:509
Opzettelijke belediging van echtgenoot van Koning, art. 112 (oud) Sr. 1. Verandering van wetgeving, art. 1.2 Sr. Gewijzigd inzicht a.b.i. art. 1.2 Sr door vervallen van art. 112 (oud) Sr? 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 1 dag en taakstraf van 40 uren). Heeft hof bij strafoplegging verzuimd ten gunste van verdachte gewijzigde bepaling toe te passen? Art. 1.2, 112 (oud), 266 en 267.1.1 Sr. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2011:BP6878 m.b.t. betekenis die aan art. 1.2 Sr moet worden toegekend, inhoudende dat ingeval na begaan van feit delictsomschrijving (in voor verdachte gunstige zin) is gewijzigd, art. 1.2 Sr toepasselijk is indien die wetswijziging voortvloeit uit verandering van inzicht van wetgever omtrent strafwaardigheid van dat feit. Opvatting dat vervallen van art. 112 (oud) Sr het gevolg is van verandering van inzicht van wetgever over strafwaardigheid van tlgd. feit, is mede gelet op wetsgeschiedenis m.b.t. vervallen van bijzondere bepalingen inzake belediging van staatshoofden en andere publieke personen en instellingen onjuist. Het beledigen van Koning of diens echtgenoot is immers, ook na het vervallen van art. 112 (oud) Sr, strafbaar ex art. 266 en 267 Sr. Ad 2. Uit wettelijk kader volgt dat strafmaximum voor belediging van echtgenoot van Koning na vervallen van art. 112 (oud) Sr niet langer 4 jaren gevangenisstraf bedraagt maar 4 maanden gevangenisstraf. Hof heeft er bij strafoplegging geen blijk van gegeven (door het opnemen van art. 266 en 267 Sr bij toepasselijke wettelijke voorschriften dan wel anderszins) dat het toepassing heeft gegeven aan het voor verdachte meer gunstige strafmaximum dat volgt uit art. 266 jo. 267 Sr. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden, nu de door hof opgelegde straf ver onder strafmaximum ligt dat hof ex art. 266 jo. 267 Sr had mogen opleggen. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl