Conclusie 13 mei 2025, ECLI:NL:PHR:2025:517

Conclusie AG. Art. 23 WED. Opsporingsambtenaren hebben een door verdachte bestuurd vervoermiddel onderzocht o.g.v. art. 23 WED om er zeker van te zijn dat er geen drukcilinders in het vervoermiddel lagen en hebben bij het onderzoek de bodemplaat in de kofferbak opgetild. Daarop is cocaïne aangetroffen. Middel klaagt dat het optillen van de bodemplaat is aan te merken als een doorzoeking, terwijl art. 23 WED enkel zoekend rondkijken legitimeert. AG overweegt dat onderzoek i.d.z.v. art. 23 WED meer toelaat dan slechts zoekend rondkijken, maar dat de uitoefening ervan in elk geval niet zover mag strekken dat een vervoermiddel in feite wordt doorzocht of dat verder wordt gegaan dan dat redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van de taak waarvoor de onderzoeksbevoegdheid is verleend. In dat licht getuigt het oordeel van het hof, dat het optillen van de bodemplaat in de kofferbak onder de onderzoeksbevoegdheid valt van art. 23 WED, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel evenmin onbegrijpelijk. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. AG gaat in op motiveringsvereisten die aan verweer i.d.z.v. art. 359a lid 2 Sv worden gesteld en EHRM-rechtspraak die inhoudt dat staten schendingen van de rechten van een klager dienen te erkennen. AG ziet aanleiding om het tot erkenning van de onrechtmatigheid strekkende verweer op te vatten als een verweer dat voldoet aan de met art. 359a Sv samenhangende motiveringsvereisten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken