Conclusie A-G Hofstee 18 februari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:228
Conclusie AG. Medeplegen doodslag (art. 287 Sr) en verschillende diefstallen (art. 310/311 Sr). Middel 1 en 2: bewijsklachten over medeplegen doodslag en opzet op de dood i.v.m. vaststellingen die over de geweldinwerking op het hoofd van het slachtoffer zouden ontbreken. Deze middelen falen volgens de AG. Middel 3 gaat over de vordering van benadeelde partij (het overleden slachtoffer) tot vergoeding van immateriële schade. Slachtoffer heeft voorafgaand aan overlijden enkele weken in coma gelegen als gevolg van bewezenverklaarde feit. AG gaat in op (civiele) rechtskwesties in verband met mogelijkheid om in die situatie smartengeld te vorderen, met bijzondere aandacht voor het mededelingsvereiste zoals neergelegd in art. 6:95 lid 2 BW en art. 6:2 lid 2 BW. Kan slachtoffer (al dan niet via zaakwaarneming) aanspraak maken op smartengeld en is er, gelet op kennelijk terughoudende uitleg ten aanzien van regels omtrent overgang onder algemene titel van het recht op vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, reden tot en ruimte voor versoepeling? Naar het oordeel van de AG slaagt het derde middel gelet op de motivering van het hof ter zake. Conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging van de bestreden uitspraak. Samenhang met 23/04033
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Limburg 27 november 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:8607
- Hof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1866
- HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1606
- Rb. Midden-Nederland 20 maart 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:1046
- HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793
- HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718
- HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316
- HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718
- HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474
- HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5684
- HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905
- HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049
- HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2149
- HR, ECLI:NL:HR:2022:AE2148