Conclusie A-G Koopman 17 mei 2024, ECLI:NL:PHR:2024:540
Art. 11(3)(e) Verordening (EG) nr. 883/2004, art. 9.6 Wet IB 2001 en art. 45aa(b) UR IB 2001; volgens onherroepelijke aanslag premieplicht in Nederland, volgens later arrest HvJ premieplicht in Litouwen; verzoek om ambtshalve vermindering: nieuwe jurisprudentie? In deze zaak ligt de vraag voor of het Unierecht zich verzet tegen de beperking die art. 45aa(b) Uitvoeringsregeling Wet IB 2001 (de zogenoemde nieuwe jurisprudentie-uitzondering) stelt aan het recht op ambtshalve vermindering. Het gaat met name om de vraag of het Unierecht ambtshalve vermindering voorschrijft van een belastingaanslag waarvan de Unierechtelijke onjuistheid blijkt uit rechtspraak van het HvJ die is gewezen na het onherroepelijk worden van die aanslag. In 2015 woonde belanghebbende in Litouwen en werkte hij voor een Nederlandse werkgever op een schip dat voer onder de vlag van de Bahama’s. In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor dat jaar heeft belanghebbende vermeld dat hij het gehele jaar premieplichtig is in Nederland. De aanslag is op 31 december 2016 conform de aangifte opgelegd. Naar aanleiding van een arrest van het HvJ van 8 mei 2019, heeft belanghebbende in 2019 alsnog een bezwaarschrift ingediend, stellende dat hij niet in Nederland maar in Litouwen premies verschuldigd is. Dit bezwaarschrift is aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en is vervolgens afgewezen omdat de nieuwe jurisprudentie-uitzondering volgens de Inspecteur van toepassing is. In cassatie keren de klachten van belanghebbende zich tegen het oordeel van het Hof dat het verzoek om ambtshalve vermindering terecht is afgewezen. Belanghebbende stelt dat de uitspraak van het HvJ geen nieuwe jurisprudentie is en dat het niet in overeenstemming met het Unierecht is om het verzoek af te wijzen. A-G Koopman komt tot de slotsom dat de aanslag van belanghebbende onherroepelijk is komen vast te staan en in beginsel formele rechtskracht heeft gekregen. Slechts in uitzonderlijke situaties kan deze formele rechtskracht worden doorbroken. Deze uitzonderlijke situaties zijn hier niet aan de orde. Ook een verzoek om herziening op grond van art. 4:6 Awb zou niet kunnen slagen nu later tot stand gekomen jurisprudentie geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn. En daarnaast is ook de route van Kühne & Heitz niet mogelijk, aangezien belanghebbende geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de aanslag. Bij gebrek aan regels van Unierecht, moet worden beoordeeld of de nationale procedure voldoet aan de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. Het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel verzetten zich naar de overtuiging van de A-G niet tegen toepassing van de nieuwe jurisprudentie-uitzondering als grond voor de afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering. De A-G komt tot de conclusie dat het cassatieberoep van belanghebbende ongegrond is.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:667
- Conclusie A-G Koopman 26 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:102
- Hof 's-Hertogenbosch 20 september 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3019
- HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1830
- HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720
- HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963
- HR 6 augustus 2021, ECLI:NL:HR:2021:1189
- Rb. Zeeland-West-Brabant 29 maart 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:1527
- HR 27 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2681
- HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638
- HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9272
- HR 5 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9098
- HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0193
- HR 21 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0637
- CRvB 15 januari 1998, ECLI:NL:CRVB:1998:AN5612
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1994:365
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2004:17
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2005:47
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:178
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:586