Conclusie A-G Pauwels 10 mei 2024, ECLI:NL:PHR:2024:513
Art. 217 Gemeentewet. Art. 11 AWR. Afvalstoffenheffing. Tweede aanslag mogelijk? Heffing naar verschillende grondslagen? HR BNB 1973/69 van toepassing? Belastingverordening onverbindend omdat zij niet alle essentialia vermeldt? Betekenis ‘het tijdstip van beëindiging van de heffing’ en ‘hetgeen overigens voor de heffing en de invordering van belang is’? Tijdvak- of tijdstipheffing een essentialium? Formalisering meerdere materiële belastingschulden bij één aanslag toegestaan? Aan belanghebbende zijn zowel voor de rioolheffing als voor de afvalstoffenheffing afzonderlijke aanslagen voor het vaste deel en voor het variabele deel van de heffing opgelegd. Het Hof heeft het standpunt van belanghebbende verworpen dat geen afzonderlijke aanslagen mogen worden opgelegd. Op de hoofdregel dat maar éénmaal een primitieve aanslag kan worden opgelegd, bestaat een hier van toepassing zijnde uitzondering voor het geval ter zake van hetzelfde belastbare feit wordt geheven naar verschillende grondslagen. Het Hof heeft niettemin de aanslag afvalstoffenheffing voor het variabele deel (het aantal ledigingen in 2019) vernietigd, omdat de Verordening afvalstoffenheffing 2019 (de Verordening) wat betreft het variabele deel onverbindend is jegens belanghebbende. Uit de Verordening volgt niet voldoende duidelijk of sprake is van een tijdvak- of tijdstipheffing. De Verordening voldoet niet aan de in art. 217 Gemeentewet vermelde essentialia ‘het tijdstip van beëindiging van de heffing’ en ‘hetgeen overigens voor de heffing en de invordering van belang is’. A-G Pauwels meent dat het incidentele cassatieberoep van belanghebbende ongegrond is. Het oordeel van het Hof dat afzonderlijke aanslagen mogen worden opgelegd, is juist gelet op HR BNB 1973/69. Het van toepassing zijn van de AWR op gemeentelijke belastingen brengt niet mee dat dit arrest is achterhaald. De A-G betoogt dat het principale cassatieberoep van het College gegrond is. De Verordening voldoet wel aan de eisen van art. 217 Gemeentewet ook wat betreft de belasting per lediging. Het essentialium ‘het tijdstip van beëindiging van de heffing’ heeft geen betrekking op de kwestie van een tijdvakheffing of een tijdstipheffing. De Verordening voldoet ook aan het vereiste ‘hetgeen overigens voor de heffing en invordering van belang is’. De Verordening bevat de gegevens waaruit de belastingplichtige de omvang van de materiële belastingschuld wat betreft de belasting per lediging kan afleiden. De Verordening vermeldt bovendien dat de heffing geschiedt bij wege van aanslag. Wat de wijze van heffing betreft stelt art. 217 Gemeentewet geen verdergaande eisen. Daarom is het niet in strijd met die bepaling dat de Verordening niet vermeldt dat de belasting per lediging wordt geformaliseerd door per jaar één aanslag op te leggen naar het aantal ledigingen in dat jaar. Wel rijst de vraag of deze wijze van formalisering in een geval als dit – waarin bij elke lediging een materiële belastingschuld ontstaat– mogelijk is. De A-G beantwoordt die AWR-vraag bevestigend.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 79 RO
- Artikel 81 RO
- Artikel 104 Gw
- Artikel 11 AWR
- Artikel 13 AWR
- Artikel 15 AWR
- Artikel 20 AWR
- Artikel 7 DB
- Artikel 13 Wet OB
- Artikel 14 Wet OB
- Artikel 15 Wet OB
- Artikel 10.21 Wm
- Artikel 10.22 Wm
- Artikel 15.33 Wm
- Artikel 111 Wschw
- Artikel 32a Gemw
- Artikel 139 Gemw
- Artikel 142 Gemw
- Artikel 216 Gemw
- Artikel 217 Gemw
Aangehaalde uitspraken
- Conclusie A-G Wattel 22 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1200
- HR 15 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1752
- Hof 's-Hertogenbosch 12 juli 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2303
- Hof 's-Hertogenbosch 19 april 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1276
- HR 24 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:934
- HR 7 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:868
- HR 1 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:143
- Conclusie A-G IJzerman 12 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1277
- HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1041
- ABRvS 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:305
- Hof 's-Hertogenbosch 12 januari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:71
- Hof 's-Hertogenbosch 12 april 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ8512
- HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8877
- HR 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1943
- HR 17 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4766
- HR 24 augustus 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2845
- HR 2 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:AA2989
- HR 1 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH8218
- HR 22 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8220
- Conclusie A-G Moltmaker 22 juli 1985, ECLI:NL:PHR:1985:AW8220