Hof 's-Hertogenbosch 19 april 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1276

Rechtsgeldigheid bekendmaking Verordeningen. Vernietiging variabele deel van de afvalstoffenheffing. Het hof is van oordeel dat de Verordeningen in overeenstemming met artikel 139 Gemeentewet bekend zijn gemaakt. Dat bij de publicaties in het (elektronisch) gemeenteblad van de gemeente en op de website www.officielebekendmakingen.nl geen handtekeningen (van de voorzitter en de griffier van de gemeenteraad en/of de burgemeester) zijn gepubliceerd doet geen afbreuk aan de vereiste bekendmaking. Relevant is dat de verordeningen voor 2020 op de raadsvergadering van 19 december 2019 zijn vastgesteld door de gemeenteraad en ondertekend door de voorzitter en de griffier van de gemeenteraad. Niet relevant is dat deze ondertekende raadsvoorstellen en – besluiten inzake de vaststelling van de Verordening afvalstoffenheffing 2020 en de Verordening rioolheffing 2020 pas op 4 mei 2020 openbaar zijn gemaakt. Aan de bekendmaking staat evenmin in de weg dat deze ondertekende raadsvoorstellen en – besluiten wellicht ten tijde van de publicatie in het (elektronisch) gemeenteblad van de gemeente en op de website www.officielebekendmakingen.nl niet waren ondertekend door de burgemeester overeenkomstig artikel 32a Gemeentewet. Deze ondertekening is niet vereist voor de vaststelling van de Verordeningen en evenmin voor een rechtsgeldige bekendmaking. Het hof is daarnaast van oordeel dat in dit geval aparte aanslagen, te weten voor het vaste deel en het variabele deel, opgelegd kunnen worden omdat zowel de onderhavige afvalstoffenheffing als de onderhavige rioolheffing wordt geheven naar verschillende grondslagen (vgl. Hoge Raad 7 februari 1973, ECLI:NL:HR:1973:AX4776.) Het hof is verder van oordeel dat uit de Verordening afvalstoffenheffing 2019 en de Verordening afvalstoffenheffing 2020 niet volgt, althans niet voldoende duidelijk is, of de afvalstoffenheffing een tijdvakheffing of een tijdstipheffing is. Voor het geval de gemeente voor wat betreft het variabele deel beoogd heeft een tijdstipheffing te introduceren is het hof van oordeel dat in de verordening niet tot uitdrukking is gebracht hoe de heffing plaatsvindt. In dat geval zou bij elke lediging van een container restafval zich een belastbaar feit voordoen, en zou dus bij elke lediging, en niet over een (kalender)jaar, een aanslag moeten worden opgelegd. Hierbij merkt het hof voorts op dat naar zijn oordeel de afvalstoffenheffing niet zowel een tijdstip- als tijdvakheffing kan zijn, aangezien sprake is van één en dezelfde heffing. Aangezien gemeenten in beginsel vrij zijn om voor de afvalstoffenheffing één of meerdere heffingsmaatstaven te kiezen en om een keuze te maken voor een tijdvakheffing of tijdstipheffing, ligt het naar het oordeel van het hof op de weg van de gemeenten om gemaakte keuzen duidelijk naar voren te brengen in een belastingverordening. Dit is naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval niet gebeurd. Met betrekking tot het variabele deel van de afvalstoffenheffing gaat het er naar het oordeel van het hof dan met name om dat het voor een belastingplichtige op basis van de belastingverordening niet duidelijk is dat wordt aangesloten bij het aantal ledigingen in het voorgaande kalenderjaar en dat dit deel tezamen met het vaste deel van het jaar daarna zal worden geformaliseerd op één gecombineerd aanslagbiljet. De Verordeningen afvalstoffenheffing 2019 en 2020 voldoen daarmee niet aan de essentialia ‘het tijdstip van beëindiging van de heffing’ en ‘hetgeen overigens van voor de heffing en de invordering van belang is’, terwijl deze essentialia naar het oordeel van het hof in dit geval wel bepaald moesten worden. Het hof is derhalve van oordeel dat hetgeen in de Verordeningen afvalstoffenheffing 2019 en 2020 is vermeld over het variabele deel, onverbindend is jegens belanghebbende.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken