Conclusie A-G Koopman 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:463

Correctie naar waarde in het economisch verkeer (art. 4.22 Wet IB); genietingstijdstip vervreemdingsvoordelen; vereiste aangifte; omkering en verzwaring van de bewijslast. In deze conclusie gaat A-G Koopman in op de vraag wat moet worden verstaan onder een ‘niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst’ in de zin van art 4.22(4) Wet IB 2001. Verder behandelt A-G Koopman de vraag of de Hoge Raad kan vaststellen wat er in een aangifteformulier staat, als dat formulier niet behoort tot de gedingstukken. In het arrest van 25 juni 2004 heeft de Hoge Raad uiteengezet hoe de in art. 20c(4) Wet IB 1964 gebruikte woorden ‘niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst’ moeten worden uitgelegd. Die uitleg werkt door naar de interpretatie van art. 4.22(1) Wet IB 2001, omdat met die bepaling geen inhoudelijke wijziging is beoogd ten opzichte van het bepaalde in art. 20c(4) Wet IB 1964. Die uitleg werkt denkelijk ook door naar de interpretatie van andere wetsbepalingen waarin de tournure ‘niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst’ wordt gebruikt. Uit het arrest van 25 juni 2004 moet naar de mening van de A-G worden afgeleid dat een overeenkomst heeft te gelden als zijnde niet onder normale omstandigheden gesloten wanneer ofwel ‘de verkoper de koper […] heeft willen bevoordelen’ ofwel ‘een verrekening heeft plaatsgevonden van een vergoeding welke de verkoper uit anderen hoofde aan de koper heeft willen verstrekken’. De A-G meent dat hetgeen de Hoge Raad oordeelde mutatis mutandis ook geldt bij een te hoge verkoopprijs en evenzeer bij de bepaling van de in aanmerking te nemen verkrijgingsprijs. Overigens hoeft de zojuist bedoelde bevoordelingsbedoeling niet per sé voort te vloeien uit het gevoelsleven van degene die bevoordeelt. Een uit koele berekening bewust toegekend voordeel, zou volgens de A-G ook tot een correctie naar de wev moeten kunnen leiden als er niet een concrete verrekening van geldbedragen valt aan te wijzen. Voorts meent de A-G dat het bewijs van die bevoordelingsbedoeling ook kan zijn geleverd door niet ontzenuwde vermoedens. Die vermoedens kunnen worden ontleend aan omstandigheden die beter waarneembaar zijn dan de wil van de ab-houder, waarbij kan worden gedacht aan het bestaan van een familierelatie, een veel te lage prijs of een pakket-verkoop. In deze zaak heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende de zogenoemde trustvraag in het aangifteformulier bevestigend had moeten beantwoorden omdat zij betrokken was bij een trustvermogen. In cassatie betwist belanghebbende dit oordeel, stellende dat de vraag luidde of zij vermogen had ondergebracht in een trust, en dat niet zij, maar haar broer vermogen had ondergebracht in de trust waarbij zij betrokken was. In het dossier is geen kopie aangetroffen van de door belanghebbende ingediende aangifte. Daarom onderzoekt de A-G of de tekst van de aangiftes is vastgesteld bij algemeen verbindend voorschrift. Dat is niet het geval. Bij het Belastingplan 2001 is de formele vaststelling van de aangifteformulieren geschrapt. Sindsdien worden die formulieren niet langer bij ministeriële regeling maar in uitvoeringsbeleid van de Belastingdienst vastgesteld. Er is geen beleidsbesluit gevonden waarin de tekst van de aangifteformulieren is vastgesteld. Dit betekent dat het Hof niet het verwijt kan worden gemaakt dat het is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting doordat het de trustvraag verkeerd heeft geduid. De A-G komt tot de conclusie dat het cassatieberoep ongegrond is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken