Rb. Noord-Holland 20 augustus 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:7237

In geschil is het in aanmerking genomen voordeel uit aanmerkelijk belang, waarbij verweerder - op grond van artikel 4.22 van de Wet IB 2001 - bij het opleggen van de aanslag is afgeweken van de tussen eiseres en de BV voor de aandelen overeengekomen koopprijs. Naar het oordeel van de rechtbank is de door eiseres bedongen tegenprestatie niet op zakelijke wijze tot stand gekomen. Het ligt, namelijk niet voor de had dat de gang van zaken omtrent de inkoop dezelfde zou zijn geweest, indien niet de broer van eiseres, maar een onafhankelijke derde de andere aandeelhouder in de BV zou zijn geweest. Verweerder heeft voor het bepalen van de waarde in het economisch verkeer van de aandelen terecht aangesloten bij de intrinsieke waarde van de aandelen. Wel is verweerder ten onrechte uitgegaan van een dubbeltelling van het eigen vermogen van de BV en dient het voordeel uit aanmerkelijk belang verminderd te worden tot € 5.616.515. Om die reden is het beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken