Conclusie A-G Koopman 1 maart 2024, ECLI:NL:PHR:2024:235
Aftrek scholingsuitgaven; Is gestort collegegeld een depotstorting?; Besluit proceskosten bestuursrecht; Is differentiatie proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase tussen belasting- en premiezaken en overige zaken in strijd met het discriminatieverbod? Een buitenlandse student aan de [universiteit] (belanghebbende) wil zijn collegegeld als scholingskosten in aftrek brengen. Bij de Rechtbank kreeg hij gelijk. De Rechtbank heeft de persoonsgebonden aftrek vastgesteld op € 15.325. De Inspecteur is veroordeeld tot vergoeding van belanghebbendes proceskosten. De kosten voor rechtsbijstand in de bezwaarfase heeft de Rechtbank vastgesteld met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: BPB), uitgaande van een waarde per punt in bezwaar van € 296. De Staatssecretaris heeft rechtstreeks beroep in cassatie (sprongcassatie) ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld met betrekking tot de proceskostenveroordeling. Het incidentele beroep in cassatie vormt aanleiding tot het nemen van deze conclusie. Het principale beroep gaat over de aftrek van het collegegeld. Belanghebbende heeft het geld overgemaakt voordat hij naar Nederland kwam. Hij was toen nog geen (binnenlandse of buitenlandse) belastingplichtige. De Inspecteur heeft daarom de aftrek geweigerd. Uit art. 6.1(1)(a) Wet IB 2001 volgt namelijk dat alleen belastingplichtigen recht hebben op die aftrek. De Rechtbank heeft kort gezegd geoordeeld dat de overschrijving van het bedrag in februari 2018 een depotstorting vormt en dat de voldoening van het collegegeld heeft plaatsgevonden door verrekening met het onverschuldigd betaalde bedrag op of omstreeks 11 september 2018. Toen woonde belanghebbende al in Nederland, was hij dus binnenlands belastingplichtige, en had hij dus recht op toepassing van de persoonsgebonden aftrek. A-G Koopman meent dat het oordeel van de Rechtbank geen blijk geeft van onjuiste rechtsopvatting, voor het overige feitelijk is en niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris is naar mening van de A-G ongegrond. In het incidentele beroep in cassatie klaagt belanghebbende erover dat de Rechtbank niet punt 1 (tarief: € 296) van onderdeel B2 van de bijlage bij het BPB had moeten toepassen, maar punt 2 (tarief: € 597). Belanghebbende acht het gemaakte onderscheid onder meer in strijd met het discriminatieverbod van art. 1 Grondwet. A-G Koopman onderzoekt eerst of het lage forfaitaire tarief voor belasting- en premiezaken buiten toepassing moet blijven wegens strijd met het motiverings- of het zorgvuldigheidsbeginsel. Dat is niet het geval. Volgens de A-G is dit tarief voldoende onderbouwd om een toetsing mogelijk te maken aan hogere regelgeving, de algemene rechtsbeginselen of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur Daarna wordt toegekomen aan toetsing van het tariefverschil aan het discriminatieverbod van art. 1 Grondwet. A-G Koopman meent dat de belasting- en premiezaken en overige gevallen in onderdeel B2 van de bijlage bij het BPB feitelijk en rechtens vergelijkbaar zijn en dat de besluitgever niet in redelijkheid mocht menen dat de belasting- en premiezaken en overige gevallen met oog op de toepassing van onderdeel B2 van de bijlage bij het BPB niet als gelijke gevallen zijn aan te merken. Daarom moet worden beoordeeld of voor de ongelijke behandeling (verschil in waarde per punt) van de gelijke gevallen een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. De besluitgever heeft het onderscheid gebaseerd op de veronderstelling dat de kosten in belasting- en premiezaken voor de bezwaarfase (gemiddeld genomen) lager zijn dan het destijds vastgestelde forfaitaire tarief geldend voor overige zaken. De A-G meent dat deze veronderstelling zo realistisch is dat de besluitgever deze op zichzelf bezien in redelijkheid aan het voor belasting- en premiezaken geldende tarief ten grondslag mocht leggen. Maar daarmee is niet verklaard waarom het tarief voor die overige zaken zoveel hoger is. Er wordt namelijk alleen een verschil verondersteld en verklaard tussen de gemiddelde werkelijke kosten in belasting- en premiezaken en het forfait in overige zaken. Daarmee is niet duidelijk waarom een verschil wordt verondersteld tussen de gemiddelde werkelijke kosten in belasting- en premiezaken en de gemiddelde werkelijke kosten in overige zaken. De gemiddelde kosten in overige gevallen zijn door de besluitgever niet nader bekeken. De stelling in de nota van toelichting inhoudende dat er thans geen gegevens voorhanden zijn of aanwijzingen bestaan dat in verband met de werkelijke kosten in andere belangrijke sectoren van het bestuursrecht een ander (lager) tarief is geboden, is volgens de A-G te summier. Er bestaat daarom naar de mening van A-G Koopman geen objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het tariefverschil voor de kosten van de bezwaarfase. Kort en eenvoudig samengevat: De Staatssecretaris heeft volgens A-G Koopman geen gelijk met zijn stelling dat het collegegeld in februari 2018 is betaald. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het collegegeld toen niet is betaald maar in een depot is gestort. Dat is een vooral feitelijk oordeel. De Hoge Raad mag feitelijke oordelen alleen beoordelen op de begrijpelijkheid en op de onderbouwing (motivering) ervan. A-G Koopman meent dat het oordeel van de Rechtbank niet onbegrijpelijk is en voldoende is gemotiveerd. Belanghebbende heeft naar mening van de A-G wel gelijk met zijn klacht over de hoogte van de vergoeding voor de kosten die hij in de bezwaarfase heeft gemaakt. In het Besluit proceskosten bestuursrecht is het standaardtarief (forfait) in de bezwaarfase voor belastingzaken vastgesteld op € 296 (tarief 2023), terwijl dat voor andere zaken ruim het dubbele is, namelijk : € 597. A-G Koopman is het eens met belanghebbende dat dit verschil in strijd is met het discriminatieverbod. Het forfait in belasting- en premiezaken is wel onderbouwd, maar niet is onderbouwd waarom er een verschil bestaat tussen dit forfait en het forfait in overige gevallen. Belanghebbende moet volgens de A-G een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase krijgen op basis van het hogere forfaitaire tarief.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1665
- Rb. Zeeland-West-Brabant 28 juli 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:5326
- Rb. Zeeland-West-Brabant 20 juli 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:5105
- Rb. Den Haag 28 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12805
- Rb. Zeeland-West-Brabant 10 maart 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:1550
- Rb. Zeeland-West-Brabant 10 maart 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:1551
- Rb. Zeeland-West-Brabant 10 maart 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:1553
- Hof Den Haag 7 maart 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1108
- Rb. Noord-Holland 28 februari 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:1722
- Rb. Noord-Holland 20 juli 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:6768
- HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752
- Rb. Noord-Nederland 25 april 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:1355
- Rb. Den Haag 17 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:6676
- Rb. Gelderland 11 juni 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:2925
- HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:648
- CRvB 1 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2016
- CRvB 1 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2017
- CRvB 1 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2018
- CRvB 1 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2019
- HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2495