Conclusie A-G Pauwels 6 oktober 2023, ECLI:NL:PHR:2023:891
Art. 1.7, 3.81 en 3.82 Wet IB 2001; art. 10, 11 en 19d Wet LB. Op grond van welke bepaling in de Wet IB 2001 worden uitkeringen ontvangen van de Deutsche Rentenversicherung in de heffing betrokken? Discrepantie tussen geschil in cassatie en het geschil waarover het Hof heeft beslist. Loon uit vroegere dienstbetrekking. Omkeerregel. Reikwijdte arrest HR BNB 1994/281. Bij de aanslag IB/PVV 2018 betrekt de Inspecteur de door belanghebbende ontvangen uitkeringen van de Deutsche Rentenversicherung (RV-uitkeringen) volledig in de heffing. Het Hof oordeelt dat toepassing van art. 3.82(b) Wet IB 2001 meebrengt dat een splitsing moet plaatsvinden: de RV-uitkeringen zijn belast in box 1 voor zover zij voortkomen uit het gedeelte van de aanspraak dat voortvloeit uit in Duitsland aftrekbare premies, en voor het overige deel is de aanspraak een box 3 bezitting. De Staatssecretaris betoogt in cassatie dat art. 3.82(b) Wet IB 2001 niet van toepassing is. Primair niet (middel I), omdat de RV-uitkeringen onder art. 3.81 Wet IB 2001 vallen. Subsidiair niet (middel II), omdat de RV-uitkeringen niet zijn aan te merken als uitkeringen op grond van ‘een pensioenregeling van een andere mogendheid’ als bedoeld in art. 1.7(2)(c) Wet IB 2001. A-G Pauwels constateert in zijn conclusie dat er een discrepantie is tussen het geschil in cassatie en het geschil waarover het Hof heeft geoordeeld: de wijze van toepassing van art. 3.82(b) Wet IB 2001 staat in cassatie niet ter discussie, maar alleen de toepasselijkheid van die bepaling. De A-G meent dat middel I niettemin wel inhoudelijk kan worden onderzocht omdat de Inspecteur zich voor het Hof primair op het standpunt had gesteld dat sprake was van loon uit vroegere dienstbetrekking. Het middel kan echter niet tot cassatie leiden. Op HR BNB 1994/281 kan niet worden gebaseerd dat de RV-uitkeringen zonder meer als loon uit vroegere dienstbetrekking zijn aan te merken. De RV-uitkeringen zijn volgens de A-G slechts als zodanig aan te merken voor zover zij voortvloeien uit aanspraken die onder de omkeerregel vielen naar de maatstaven van de wettelijke bepalingen van de loonbelasting in de jaren waarin de aanspraken tot stand zijn gekomen. Uit de stukken van het geding volgt niet dat de Inspecteur ter zake stellingen heeft betrokken. Middel II klaagt volgens de A-G tevergeefs dat het Hof heeft nagelaten om te toetsen of de RV-uitkeringen zijn aan te merken als uitkeringen op grond van ‘een pensioenregeling van een andere mogendheid’. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk de partijstandpunten zo begrepen dat deze toepassingsvoorwaarde van art. 3.82(b) Wet IB 2001 geen voorwerp van geschil was. Evenmin is sprake van een kwestie die de rechter ambtshalve moet beoordelen. Volgens de A-G is het cassatieberoep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 10 LB
- Artikel 11 LB
- Artikel 19 LB
- Artikel 19d LB
- Artikel 34 LB
- Artikel 11 Uitv besl LB
- Artikel 1.7 Wet IB 2001
- Artikel 2.14 Wet IB 2001
- Artikel 3.80 Wet IB 2001
- Artikel 3.81 Wet IB 2001
- Artikel 3.82 Wet IB 2001
- Artikel 5.3 Wet IB 2001
- Artikel 64 Wfsv
- Artikel 15 Penw.
- Artikel 55 Penw.
- Artikel 3.12 URLB 2011
Aangehaalde uitspraken
- HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1168
- Hof Arnhem-Leeuwarden 15 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9842
- HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:518
- HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:24
- Hof 's-Hertogenbosch 10 november 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4841
- HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0635
- Hof Arnhem 4 maart 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BC6278
- HR 2 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9674
- Hof Amsterdam 15 november 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ2675
- Rb. 's-Gravenhage 21 juni 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AY6636
- Rb. Breda 24 april 2006, ECLI:NL:RBBRE:2006:AX7196
- HR 19 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5719
- Hof 's-Gravenhage 23 februari 1976, ECLI:NL:GHSGR:1976:AX3776
- Hof 's-Hertogenbosch 27 juni 1975, ECLI:NL:GHSHE:1975:AX3648
- BVERFG, ECLI:DE:BVERFG:2002:LS20020306.2BVL001799