Conclusie A-G Pauwels 24 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:341

Wet tegemoetkomingen loondomein; art. 2.2 Wtl. Vervalt loonkostenvoordeel oudere werknemer bij overgang van werknemer in het kader van overgang van onderneming? Uitleg begrip ‘aanvang van de dienstbetrekking’. Geldigheidsvereiste doelgroepverklaring Bij een eenmanszaak is een werkneemster in dienst gestreden vanuit een situatie waarin zij recht had op een WW-uitkering. Het UWV heeft aan de werkneemster een zogeheten doelgroepverklaring afgegeven voor de toepassing van het loonkostenvoordeel oudere werknemer (LKV). Als gevolg van een overgang van de onderneming van de eenmanszaak naar belanghebbende wordt de dienstbetrekking van de werkneemster van rechtswege voortgezet bij belanghebbende. Belanghebbende maakt aanspraak op LKV voor de werkneemster. In geschil is (a) of de werkneemster in de kalendermaand voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking recht had op een WW-uitkering (het uitkeringsvereiste), en (b) of de aan de werkneemster verstrekte doelgroepverklaring nog geldig is (het geldigheidsvereiste). Het Hof oordeelt dat belanghebbende recht heeft op het loonkostenvoordeel: ad a) het moment van indiensttreding bij de eenmanszaak geldt als “de aanvang van de dienstbetrekking”; ad b) dat de doelgroepverklaring de eenmanszaak als werkgever vermeldt, doet niet af aan de geldigheid ervan. De Staatssecretaris bestrijdt deze oordelen met één middel. A-G Pauwels beargumenteert in verband met geschilpunt a) dat, anders dan de Staatssecretaris betoogt, uit de tekst van art. 2.2(1)(a) Wtl niet duidelijk volgt dat na overgang van onderneming niet aan het uitkeringsvereiste wordt voldaan. Het geval van overgang van onderneming is namelijk atypisch bezien vanuit het toe te passen begrip “de aanvang van de dienstbetrekking”. Enerzijds ontstaat de arbeidsovereenkomst met de verkrijgende werkgever pas bij de overgang van onderneming, anderzijds wordt de arbeidsovereenkomst van de werknemer voortgezet. Na bespreking van diverse gezichtspunten (wettekst; wetsgeschiedenis; ontbreken van voorziening die wel bestond onder premiekorting; wetssystematiek; doel en strekking) concludeert de A-G dat art. 2.2(1)(a) Wtl zo moet worden uitgelegd dat bij overgang van onderneming het moment van indiensttreding bij de overdragende werkgever geldt als “de aanvang van de dienstbetrekking”. Het Hof is dus uitgegaan van de juiste uitleg van het uitkeringsvereiste. De A-G meent met betrekking tot geschilpunt b) dat er onvoldoende grond is voor de opvatting dat, bij overgang van onderneming, de doelgroepverklaring alleen geldig is voor de overdragende werkgever. Dit betekent dat het Hof eveneens is uitgegaan van de juiste uitleg van het geldigheidsvereiste. De A-G geeft de Hoge Raad daarom in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken