Rb. Noord-Nederland 18 oktober 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:3999
Eiseres stelt dat voor de vraag of zij recht heeft op het lage-inkomensvoordeel van de Wtl de verloonde uren van de werknemers van eiseres over heel 2020 moeten worden meegeteld voor de berekening van het lage-inkomensvoordeel. Volgens eiseres betreft dat ook de verloonde uren bij de vof voor het overgangstijdstip naar de BV. Verweerder stelt dat na de omzetting van de vof in de BV sprake is van een nieuwe inhoudingsplichtige en daarmee een nieuwe werkgever voor de Wtl. Dit heeft tot gevolg dat de verloonde uren voor de berekening van het lage-inkomensvoordeel vanaf 9 april 2020 worden berekend en niet over heel 2020. Volgens verweerder heeft de wetgever gekozen voor een eenvoudig en robuust systeem en het in aanmerking nemen van de verloonde uren van een overdragende werkgever bij een overnemende werkgever past niet in een dergelijk systeem. De rechtbank is van oordeel dat naar de letter van de wet de toepassing van artikel 3.1 van de Wtl tot de conclusie leidt dat enkel de door eiseres vanaf 9 april 2020 verloonde uren meetellen voor de berekening van het lage-inkomensvoordeel. De rechtbank is evenwel van oordeel dat in dit geval doel en strekking van artikel 3.1 van de Wtl in de weg staat aan een onverkorte toepassing van de definitie van het begrip werkgever uit artikel 1.1 van de Wtl, omdat daarmee een te beperkte uitleg zou worden gegeven aan het bepaalde in artikel 3.1 van de Wtl. Het beroep is gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl