Conclusie A-G Ettema 29 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1219
Prejudiciële vragen aan Hoge Raad over het berekenen van rente op achterstallen over omzetbelasting bij invoer. Art. 114(2) DWU. Wettelijke basis in art. 22(1) Wet OB? Rentenadeel? In de periode van 2 april tot 28 juni 2019 heeft belanghebbende als direct vertegenwoordiger van een andere vennootschap vier aangiften voor het vrije verkeer gedaan van zendingen afkomstig uit Rusland. Belanghebbende heeft de Inspecteur medegedeeld dat een te lage douanewaarde is aangegeven in de genoemde aangiften en heeft hem verzocht een uitnodiging tot betaling op te leggen. Dat verzoek is ingewilligd. Over de verschuldigde invoerrechten en de verschuldigde omzetbelasting heeft de Inspecteur rente op achterstallen als bedoeld in art. 114(2) Douanewetboek van de Unie in rekening gebracht. De opdrachtgever van belanghebbende heeft op de voet van art. 15, lid 1, onderdeel c, 1° Wet OB recht op aftrek van de omzetbelasting die bij de onderwerpelijke uitnodiging tot betaling is medegedeeld. Ter zitting bij de Rechtbank heeft de Inspecteur toegelicht dat het in rekening brengen van rente op achterstallen over omzetbelasting bij invoer die wordt geheven met toepassing van art. 22 Wet OB, behoort tot het interne beleid van de Belastingdienst/Douane. Dit beleid is niet gepubliceerd en bij de vaststelling ervan heeft geen afstemming plaatsgevonden met de Belastingdienst/Omzetbelasting. In geschil is of de inspecteur terecht rente op achterstallen in rekening heeft gebracht over de omzetbelasting bij invoer. De rechtbank stelt de volgende twee prejudiciële vragen aan de Hoge Raad: 1) Biedt art. 22 Wet OB een rechtsgrond voor het in rekening brengen van rente op achterstallen in de zin van art. 114, lid 2, DWU over btw bij invoer die verschuldigd is op grond van art. 18 Wet OB en wordt geheven bij wijze van uitnodiging tot betaling? 2) Is het voor de beantwoording van de eerste vraag relevant of de belastingplichtige dan wel de (andere) ondernemer voor wie de goederen zijn bestemd, op grond van art. 15(1)c Wet OB, recht heeft op aftrek van deze omzetbelasting? De A-G komt tot de slotsom dat art. 22(1) Wet OB niet een rechtsgrond biedt voor het in rekening brengen van rente op achterstallen over omzetbelasting bij invoer. Zij geeft de Hoge Raad in overweging de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden: 1) Noch art. 22, lid 1, Wet OB noch enige andere wettelijke bepaling biedt een rechtsgrond voor het in rekening brengen van rente op achterstallen in de zin van art. 114, lid 2, DWU over omzetbelasting bij invoer die verschuldigd is op grond van art. 18 Wet OB en wordt geheven bij wijze van uitnodiging tot betaling. 2) Aan beantwoording van de tweede prejudiciële vraag wordt niet toegekomen. Indien de Hoge Raad de eerste prejudiciële vraag van de Rechtbank bevestigend beantwoordt, geeft zij de Hoge Raad in overweging de tweede prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden: Het is niet mogelijk rente op achterstallen in de zin van art. 114, tweede lid, DWU in rekening te brengen over omzetbelasting bij invoer, indien de belastingplichtige dan wel de (andere) ondernemer voor wie de goederen zijn bestemd, op grond van art. 15, lid 1, onderdeel c, 1° Wet OB, een volledig recht heeft op aftrek van deze omzetbelasting.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 2 AWR
- Artikel 19 AWR
- Artikel 27h AWR
- Artikel 30c AWR
- Artikel 30d AWR
- Artikel 2 Wet OB
- Artikel 15 Wet OB
- Artikel 18 Wet OB
- Artikel 22 Wet OB
- Artikel 23 Wet OB
- Artikel 10 Uitv.besch. OB
- Artikel 17 Uitv.besch. OB
- Artikel 17a Uitv.besch. OB
- Artikel 18 Uitv.besch. OB
- Artikel 8 IW
- Artikel 27bis IW
- Artikel 27ter IW
- Artikel 6:119 BW6
- Artikel 4:97 Awb
- Artikel 1:1 Adw
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Noord-Holland 12 mei 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:4900
- HR 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1673
- Conclusie A-G Wattel 29 juni 2022, ECLI:NL:PHR:2022:701
- Conclusie A-G Niessen 2 augustus 2018, ECLI:NL:PHR:2018:839
- HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:781
- HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR4790
- EHRM 11 oktober 2005, ECLI:CE:ECHR:2005:1011DEC000354003
- HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7095
- Conclusie A-G Overgaauw 11 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0412
- HR 24 augustus 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3866
- HR 24 augustus 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3868
- HR 2 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1696
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1984:254
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1984:81
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2004:263
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2008:312
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2008:505
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2009:539
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2010:441
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2011:199