Conclusie A-G Ettema 24 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1077

Douanerecht; art. 29 CDW; art. 33(f) CDW; art. 181bis UCDW. Is de inspecteur verplicht de procedure van art. 181bis UCDW te volgen? Wanneer moet hij die procedure starten? Wat zijn de gevolgen van het niet (tijdig) starten van die procedure? Staat het de inspecteur vrij nieuwe gronden aan te voeren in (hoger) beroep? Op naam en voor rekening van een B.V. waarvan belanghebbende de rechtsopvolger is, is aangifte gedaan voor het brengen in het vrije verkeer van bepaalde bevestigingsmiddelen. De in de aangifte vermelde douanewaarde is de overeengekomen prijs onder leveringsconditie Delivered Duty Paid (DDP)-[Q]. Op grond van de aangegeven preferentiële oorsprong Indonesië zijn douanerechten naar een tarief van 0% verschuldigd. De Inspecteur heeft achteraf het standpunt ingenomen dat de oorsprong van de bevestigingsmiddelen China is en heeft een uitnodiging tot betaling opgelegd voor douanerechten en antidumpingrechten. Hij heeft belanghebbende niet gevolgd in haar standpunt dat, gelet op de leveringsconditie DDP-[Q], de alsnog te betalen douanerechten en antidumpingrechten in aftrek moeten komen op de douanewaarde, een en ander op grond van art. 33(f) CDW. Na vergeefs bezwaar te hebben gemaakt tegen de uitnodiging tot betaling heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank Noord-Holland. Vanwege een eerdere, soortgelijke procedure tegen een andere uitnodiging tot betaling die aan belanghebbende is uitgereikt, is dat beroep aangehouden. Die andere procedure heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1022. De Inspecteur is na dit arrest een onderzoek gestart op grond van art. 140 UDWU. In deze procedure heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat de leveringsconditie DDP niet van toepassing kan zijn omdat belanghebbende op eigen naam en voor eigen rekening de douaneaangifte heeft gedaan. Belanghebbende heeft ook tegen deze beslissing beroep ingesteld. De Rechtbank oordeelt dat de bevestigingsmiddelen de preferentiële oorsprong Indonesië hebben en zij niet van Chinese oorsprong zijn. Het beroep tegen de uitnodiging tot betaling is gegrond. Zij verklaart het beroep tegen de beslissing op grond van art. 140 UDWU eveneens gegrond. Deze beslissing kan nergens meer toe leiden, omdat er geen douanerechten en antidumpingrechten zijn verschuldigd. Het Hof oordeelt dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de bevestigingsmiddelen van Chinese oorsprong zijn. Daarmee staat tevens vast dat de bevestigingsmiddelen niet van preferentiële Indonesische oorsprong zijn. De omstandigheid dat bij de aangifte een Formulier A is overgelegd dat niet is ingetrokken door de Indonesische autoriteiten en dus nog altijd geldig is, staat niet aan dit oordeel in de weg, aldus het Hof. Naar het oordeel van het Hof staat het de Inspecteur niet vrij om, nadat een uitnodiging tot betaling is uitgereikt, de procedure van art. 140 UDWU toe te passen en het resultaat van die procedure ten grondslag te leggen aan de reeds uitgereikte uitnodiging tot betaling. Art. 140 UDWU behelst een procedure die ziet op de voorbereiding van de besluitvorming. Deze procedure kan naar zijn aard niet achteraf worden toegepast, aldus het Hof. De beslissing van de Rechtbank om de beschikking te vernietigen, blijft in stand. In cassatie stelt de staatssecretaris van Financiën twee middelen voor. Middel I voert aan dat het Hof onderzoek had moeten doen naar de stelling van de Inspecteur dat tussen partijen in werkelijkheid bij een verschuldigd tarief van 85% aan antidumpingrechten niet is overeengekomen dat in hun onderlinge verhouding de nagevorderde rechten (volledig) voor rekening van de exporteur zijn. De Inspecteur mag deze stelling ook buiten de procedure van art. 140 UDWU betrekken, aldus het middel. Middel II is gericht tegen het oordeel van het Hof dat het resultaat van de procedure van art. 140 UDWU niet alsnog ten grondslag kan worden gelegd aan de reeds uitgereikte uitnodiging tot betaling. Het middel betoogt dat dat wel mogelijk is, temeer nu de Inspecteur in materiële zin art. 181bis(2) UCDW heeft toegepast bij het uitreiken van de uitnodiging tot betaling. Het middel wijst tot slot erop dat veel onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van de procedure van art. 181bis UCDW of art. 140 UDWU en de gevolgen ervan. Belanghebbende stelt in incidenteel beroep in cassatie de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie aan de orde. Uit het beroepschrift wordt niet duidelijk welke staatssecretaris van Financiën beroep in cassatie heeft ingesteld. Daarnaast wordt een middel voorgesteld dat is gericht tegen het oordeel dat de bevestigingsmiddelen van Chinese oorsprong zijn. Het middel voert aan dat het aannemelijk is dat de Indonesische exporteur aan belanghebbende restant voorraden heeft geleverd die afkomstig waren van de eigen productie van de Indonesische exporteur. Eerst komt in de conclusie aan de orde of de staatssecretaris van Financiën het beroep in cassatie bevoegdelijk heeft ingesteld. Alleen de staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane is hiertoe bevoegd in douanezaken. De A-G stelt voor de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid te stellen aan te tonen dat hij gevolmachtigd was of een (onder)mandaat had om het beroepschrift in te dienen namens de staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane. Een andere mogelijkheid is dat deze staatssecretaris alsnog het beroep bekrachtigt. Vervolgens A-G Ettema onderzoekt welke procedure een inspecteur moet volgen als hij de aangegeven douanewaarde wenst te verwerpen. Eerst gaat de A-G in op de argumenten van de Inspecteur voor het verwerpen van de aangegeven douanewaarde. Hierbij wordt ingegaan op onder meer de transactiewaardemethode, de aftrek op grond van art. 33(f) CDW, de verhouding tussen de leveringscondities en de douanewaarde en de douanewaarde als ‘reële waarde’. De A-G komt tot de conclusie dat de Inspecteur aanvankelijk de transactiewaarde heeft willen verwerpen en de douanewaarde niet heeft vastgesteld met de transactiewaardemethode. Daarna, in het kader van de art. 140 UDWU-procedure en in hoger beroep, heeft de Inspecteur echter in wezen het standpunt ingenomen dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor aftrek op grond van art. 33(f) CDW. Voor het overige lijkt hij de transactiewaardemethode te hebben gevolgd, ook al heeft de Inspecteur gesteld dat de douanewaarde met redelijke middelen is vastgesteld. A-G Ettema meent dat de Inspecteur voor het verwerpen van de transactiewaarde de procedure van art. 181bis UCDW had moeten volgen. Deze procedure heeft betrekking op de voorbereiding van het besluit af te wijken van de aangegeven douanewaarde en kan dus niet – zo heeft het Hof terecht geoordeeld – na het uitreiken van de uitnodiging tot betaling worden gevolgd. De Inspecteur heeft ook niet materieel voldaan aan het bepaalde art. 181bis(2) UCDW. Deze procedure hoeft niet te worden gevolgd als de inspecteur alleen betwist dat is voldaan aan de voorwaarden voor de aftrek op grond van art. 33(f) CDW. Vervolgens is het de vraag of de Inspecteur in hoger beroep voor het eerst dat standpunt kon innemen. Als dat zo is, had het Hof die stelling van de Inspecteur moeten behandelen, hetgeen het niet heeft gedaan. A-G Ettema betrekt bij de beantwoording van die vraag het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel dat ook tot uitdrukking komt in art. 181bis UCDW. Ze meent dat redelijke twijfel bestaat over het antwoord op de vraag of het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel zich ertegen verzet dat de inspecteur in (hoger) beroep gronden aanvoert waarover de belanghebbende zich in de administratieve fase niet heeft kunnen uitlaten. In het laatste onderdeel gaat de A-G in op het middel dat in het incidentele cassatieberoep is voorgesteld. Zij komt tot de slotsom dat dit middel faalt. A-G Ettema geeft de Hoge Raad in overweging middel I ten dele en middel II in het principale beroep in cassatie en het middel in het incidentele beroep in cassatie ongegrond te verklaren. Met betrekking tot middel I voor het overige geeft de A-G de Hoge Raad in overweging een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken