Conclusie A-G Ettema 29 september 2017, ECLI:NL:PHR:2017:994
Op grond van artikel 181bis UCDW kunnen de douaneautoriteiten, wanneer zij gegronde twijfel hebben of de aangegeven douanewaarde in overeenstemming is met de in artikel 29 CDW omschreven transactiewaarde, om aanvullende informatie vragen. Blijft de twijfel bestaan, dan moet de betrokkene in kennis worden gesteld van de redenen voor die twijfel en de gelegenheid krijgen te reageren. Neemt de betrokkene de twijfel niet weg, dan kunnen de douaneautoriteiten beslissen de transactiewaardemethode te verwerpen. In deze conclusie staat de vraag centraal of artikel 181bis UCDW kan worden toegepast bij een ‘controle achteraf’ op de voet van artikel 78 CDW. De staatssecretaris van Financiën beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 181bis UCDW slechts in de fase van verificatie van de juistheid van de vermeldingen in een aanvaarde aangifte als bedoeld in artikel 68 CDW kan worden toegepast. Uit het systeem van het CDW en de rechtspraak van het HvJ leidt de A-G af dat de procedure als beschreven in artikel 181bis UCDW ook nog in het kader van een controle achteraf kan worden toegepast. De rechtsvraag die in de onderhavige zaak voorligt, speelt ook in de bij de Hoge Raad aanhangige zaken, bekend onder rolnummers 15/05739 en 17/03215. In die zaken heeft de staatssecretaris van Financiën cassatie ingesteld tegen de uitspraken van hof Amsterdam van 3 november 2015, nr. 13/00729, ECLI:NL:GHAMS:2015:4754 respectievelijk 30 mei 2017, nr. 16/00391, ECLI:NL:GHAMS:2017:2160. Het betreffen zaken van andere belanghebbenden.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Amsterdam 30 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2160
- HR 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2077
- Hof Amsterdam 15 september 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4374
- Hof Amsterdam 3 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4754
- HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2161
- HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1809
- HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1666
- Rb. Noord-Holland 16 april 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:3028
- HR 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8269
- HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO8438
- Conclusie A-G VAN HILTEN 28 oktober 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO8438
- Hof Amsterdam 28 april 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ7221
- CBb 3 februari 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AV2086
- CBb 3 september 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AL8209
- CBb 21 juli 1999, ECLI:NL:CBB:1999:ZG1615
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2000:574
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2001:681
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2006:716
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2008:128
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2008:312